ABRvS 27 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3058
Bij besluit van 30 september 2021 heeft de raad van Bergen op Zoom het bestemmingsplan “Buitengebied Oost 2020” (hierna: het plan) gewijzigd vastgesteld. Het plan betreft een algehele herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied Oost” dat is vastgesteld in 2003 en daarna drie keer partieel is herzien. Het plan heeft een conserverend karakter. Volgens de plantoelichting is het doel van het plan actualisering van het planologische kader voor het gehele oostelijke deel van het buitengebied. Het plan is ook in overeenstemming gebracht met actuele regelgeving, zoals de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV). Volgens de plantoelichting zijn in het plan ook een aantal kleinschalige ontwikkelingen meegenomen. Het plangebied omvat het oostelijke gedeelte van het landelijk gebied van de gemeente Bergen op Zoom. Het wordt begrensd door Rijksweg A4/A58, Zuidgeest (de gemeentegrens met Woensdrecht), Zoomvlietweg en Boerenweg, Halstersebaan en Luienhoekweg (de gemeentegrens met Roosendaal). Natuur- en milieuorganisaties, IVN en IVN Groene Zoom, Stichting De Brabantse Wal, Benegora, Natuur- en Milieuvereniging NAMIRO en Stichting tot Behoud van het Halsters Laag en het buitengebied van West Brabant, hebben samen beroep ingesteld tegen een aantal onderdelen van het plan.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
202200556/1/R2.
Datum uitspraak: 27 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak, deels tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het geding tussen:
1. [appellant sub 1], wonend in Bergen op Zoom,
2. Vereniging IVN Groene Zoom en anderen, gevestigd in Bergen op Zoom (hierna: IVN en anderen),
3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], wonend in Bergen op Zoom (hierna samen in enkelvoud: [appellant sub 3]),
4. Stichting tot Behoud van het Halsters Laag en het Buitengebied van West-Brabant, gevestigd in Bergen op Zoom (hierna: de stichting),
5. [appellant sub 5], wonend in Bergen op Zoom,
6. [appellant sub 6], wonend in Bergen op Zoom,
7. [appellant sub 7], wonend in Bergen op Zoom,
8. [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B], wonend in Bergen op Zoom (hierna samen in enkelvoud: [appellant sub 8]),
9. [appellant sub 9], wonend in Bergen op Zoom,
10. [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B], wonend in Roosendaal (hierna samen in enkelvoud: [appellant sub 10]),
11. Camping De Bergse Hoeve Bergen op Zoom B.V., gevestigd in Bergen op Zoom (hierna: De Bergse Hoeve),
12. [appellant sub 12], wonend in Bergen op Zoom,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Bergen op Zoom,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 30 september 2021 heeft de raad van Bergen op Zoom het bestemmingsplan "Buitengebied Oost 2020" (hierna: het plan) gewijzigd vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben IVN en anderen, [appellant sub 1], [appellant sub 7], [appellant sub 5], [appellant sub 8], [appellant sub 3], [appellant sub 9], [appellant sub 6], [appellant sub 10], de stichting, De Bergse Hoeve en [appellant sub 12] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant sub 1] en [partij A] en [partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
IVN en anderen, [appellant sub 10], De Bergse Hoeve, [appellant sub 1], [appellant sub 12], [appellant sub 3] en de stichting, [appellant sub 8], en [appellant sub 5] hebben nadere stukken ingediend.
De Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) is partij in dit geding.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 en 17 oktober 2025, waar een aantal partijen is verschenen of zich heeft laten vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich laten vertegenwoordigen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1 Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het plan onherroepelijk is.
Het ontwerp van het plan is op 4 juni 2020 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Toetsingskader
2 Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Inleiding
3 Het plan betreft een algehele herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied Oost" dat is vastgesteld in 2003 en daarna drie keer partieel is herzien. Het plan heeft een conserverend karakter. Volgens de plantoelichting is het doel van het plan actualisering van het planologische kader voor het gehele oostelijke deel van het buitengebied. Het plan is ook in overeenstemming gebracht met actuele regelgeving, zoals de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV). Volgens de plantoelichting zijn in het plan ook een aantal kleinschalige ontwikkelingen meegenomen.
Het plangebied omvat het oostelijke gedeelte van het landelijk gebied van de gemeente Bergen op Zoom. Het wordt begrensd door Rijksweg A4/A58, Zuidgeest (de gemeentegrens met Woensdrecht), Zoomvlietweg en Boerenweg, Halstersebaan en Luienhoekweg (de gemeentegrens met Roosendaal).
Regelgeving
4 De relevante regels zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
De beroepen
Het beroep van [appellant sub 1]
5 [appellant sub 1] is eigenaar van het perceel E2154 aan de [locatie 1] in Bergen op Zoom (hierna ook: het perceel) met een oppervlakte van ruim 50.000 m². Het perceel ligt binnen het Natuur Netwerk Brabant (NNB) en heeft de bestemming "Natuur". Uit de verbeelding van het plan volgt dat het bouwvlak zich over een groot deel van het perceel uitstrekt.
Het plan laat maximaal 26 recreatiewoningen toe op het perceel en het aangrenzende perceel E2155, dat ook in eigendom van [appellant sub 1] is.
6 [appellant sub 1] betoogt dat de kadastrale grenzen van het perceel E2154 onjuist op de verbeelding van het plan zijn weergegeven. Het bouwvlak is volgens hem ook te klein, omdat het op de verbeelding ten onrechte niet het hele perceel E2154 maar slechts een deel hiervan beslaat. [appellant sub 1] stelt dat de correcties die de raad heeft toegezegd in de "Nota van commentaar bestemmingsplan Buitengebied Oost 2020" (zienswijzennota) niet zijn aangebracht op de verbeelding van het plan.
6.1 De raad onderschrijft wat [appellant sub 1] stelt over het bouwvlak en de kadastrale grenzen. Volgens de raad zijn de in de zienswijzennota toegezegde correcties per abuis nog niet doorgevoerd. De raad stelt dat dit zal worden hersteld. Op de zitting is gebleken dat dit nog niet is gebeurd.
6.2 De verbeelding van het plan, voor zover het de grenzen ten westen en zuiden van het perceel E2154 aan de [locatie 1] in Bergen op Zoom en het bouwvlak binnen de bestemming "Natuur" op dit perceel betreft, stemt niet overeen met de zienswijzennota die bij besluit van 30 september 2021 is vastgesteld. Dit besluit en het plan zijn daarom, in onderlinge samenhang bezien, vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.
Het betoog slaagt.
Het beroep van IVN en anderen
7 De hierna genoemde natuur- en milieuorganisaties, IVN en IVN Groene Zoom, Stichting De Brabantse Wal, Benegora, Natuur- en Milieuvereniging NAMIRO en Stichting tot Behoud van het Halsters Laag en het buitengebied van West-Brabant, hebben samen beroep ingesteld tegen een aantal onderdelen van het plan.
8 De vereniging IVN Groene Zoom, gevestigd in Bergen op Zoom, stelt zich onder meer ten doel de natuur, het landschap en het milieu binnen haar werkgebied te beschermen.
De Stichting de Brabantse Wal, gevestigd in Woensdrecht, heeft onder meer ten doel de natuur- en cultuurwaarden van de Brabantse Wal te behouden, herstellen en versterken.
De vereniging Benegora, gevestigd in Bergen op Zoom, stelt zich onder meer ten doel in het gebied West Noord-Brabant het beleid op het terrein van milieuzorg, natuurbehoud en landschapsbescherming te beïnvloeden en te begeleiden, in de meest uitgebreide zin.
Natuur- en Milieuvereniging NAMIRO, gevestigd in Woensdrecht, stelt zich onder meer ten doel het bevorderen van natuurbehoud, biodiversiteit, milieuhygiëne en leefbaarheid in de West-Brabantse gemeenten.
De Stichting tot Behoud van het Halsters Laag en het buitengebied van West Brabant (de stichting) heeft onder meer ten doel de belangen van de bewoners, natuur en dieren van de buitengebieden van Bergen op Zoom te behartigen.
Ingetrokken beroepsgronden
9 IVN en anderen hebben op de zitting de beroepsgronden ingetrokken over het positief bestemmen van het aantal recreatiewoningen op de percelen van [appellant sub 1], over de gronden aan de [locatie 2] en bij de Moerstraatsebaan/Delweg, en over agrarisch gebruik op grond van artikel 11.1, aanhef en onder c, van de planregels binnen de bestemming "Natuur".
Plantoelichting en zienswijzennota
10 IVN en anderen betogen dat in de zienswijzennota geen adressen of kadastrale nummers zijn vermeld, zodat het onduidelijk is om welk perceel het gaat. Dit is volgens hen in strijd met artikel 3.1.6, eerste lid, onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
10.1 Op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, onder a, van het Bro gaan een bestemmingsplan en een ontwerp hiervoor vergezeld van een toelichting, waarin een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen is neergelegd.
10.2 De plantoelichting bevat deze verantwoording. Dat hierin geen adressen zijn opgenomen, is niet in strijd met artikel 3.1.6, eerste lid, onder a, Bro.
10.3 De raad heeft in de zienswijzennota adressen, kadastrale nummers van de percelen of omschrijvingen van de situatie ter plekke opgenomen en zijn keuzes verantwoord. Daarmee biedt de zienswijzennota naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijkheid.
Het betoog slaagt niet.
Inzage ontwerpplan
11 IVN en anderen betogen ook dat in de nota van wijzigingen ambtshalve delen van de regels zijn geschrapt zonder dat duidelijk is waarom het gaat. Zij stellen dat de raad niet is tegemoet gekomen aan het verzoek om het ontwerpplan alsnog te mogen inzien, zodat bij diverse bepalingen als genoemd in het beroepschrift kan worden nagegaan wat er is gewijzigd.
11.1 Het ontwerpplan heeft ter inzage gelegen van 4 juni 2020 tot en met 15 juli 2022. Volgens de bekendmaking in de Staatscourant van 3 juni 2020, nr. 29688, kon het ontwerpplan indertijd ook digitaal worden geraadpleegd via de website www.ruimtelijkeplannen.nl onder plancode NL.IMRO.0748.BP0256-0201 en via de website www.bergenopzoom.nl, onder "Bouwen en Wonen", "Bestemmingsplannen", "Ontwerp", Buitengebied-Oost. Hiermee heeft de raad voldoende gelegenheid geboden om het ontwerpplan in te zien. De nota van wijzigingen bevat de wijzigingen van het plan ten opzichte van het ontwerpplan, met de vermelding van de geschrapte bepalingen. Daarmee heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling voldoende inzicht verschaft in de wijzigingen.
Het betoog slaagt niet.
Te groot bouwvlak
12 IVN en anderen betogen, in tegenstelling tot [appellant sub 1], dat het bouwvlak van ruim 50.000 m² van zijn perceel aan de [locatie 1] te groot is en over zijn gehele perceel ligt. Daardoor kunnen in strijd met paragraaf 3.2.3 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) overal bijgebouwen worden opgericht. Volgens hen had de raad voor elke recreatiewoning afzonderlijk een bouwvlak moeten opnemen en gaat de raad er ten onrechte vanuit dat wat onder het vorige bestemmingsplan mocht, nu ook is toegestaan.
12.1 Zoals bij de beoordeling van het beroep van [appellant sub 1] onder 5 al is vastgesteld, liggen zijn percelen binnen het NNB.
Op grond van artikel 3.18, eerste lid, van de IOV, dat ziet op nieuwe ontwikkeling in het NNB, kan een bestemmingsplan bepalen dat het oprichten van kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurfunctie of het recreatieve medegebruik daarvan zijn toegestaan, als dit geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB.
12.2 Op grond van artikel 11.2.1 van de planregels, mogen op de gronden die in het plan zijn aangewezen als "Natuur" uitsluitend bouwwerken ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving bedoelde bestemmingen worden gebouwd met dien verstande dat:
a. enkel kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten dienste van de natuurfunctie of het recreatieve medegebruik daarvan zijn toegestaan, voor zover dit geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB;
b. de oppervlakte van kleinschalige bebouwing als genoemd onder a. mag maximaal 90 m² bedragen;
(…)
e. ter plaatse van de aanduiding "recreatiewoning" geldt dat:
1 gebouwen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning', met dien verstande dat maximaal één recreatiewoning per aanduiding is toegestaan;
2 de oppervlakte van een recreatiewoning maximaal 70 m² mag bedragen;
(…)
5 per recreatiewoning op en buiten de aanduiding in totaal 15 m² aan bijgebouwen is toegestaan, met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 en 5 meter. In de onderstaande tabel zijn de toegestane recreatiewoningen aangegeven.
In de tabel bij deze bepaling is bij het adres [locatie 1] vermeld dat 26 recreatiewoningen zijn toegestaan.
Op de verbeelding is bij dit adres op 26 plekken de functieaanduiding "recreatiewoning" binnen het bouwvlak opgenomen.
12.3 De raad heeft in eerste instantie naar voren gebracht dat het noodzakelijk is dat de percelen E2154 en E2155 van [appellant sub 1] volledig als bouwvlak worden aangemerkt, om de bijbehorende bouwwerken en bijbehorende voorzieningen binnen de natuurbestemming toe te staan. Op de zitting heeft de raad opgemerkt dat het bij nader inzien een keuze is geweest om flexibiliteit te bieden aan de eigenaren van de recreatiewoningen. Volgens de raad biedt de regeling voor bijgebouwen voldoende waarborgen tegen aantasting van de aanwezige natuurwaarden. Het toegestaan aantal m² is gekoppeld aan de recreatiewoning en er moet sprake zijn van een bijbehorend bouwwerk.
12.4 Op de zitting is gebleken dat de raad met "kleinschalige bebouwing" als bedoeld in artikel 11.2.1, aanhef en onder a, van de planregels voor de percelen van [appellant sub 1] bijvoorbeeld doelt op een entreegebouw en dat de oppervlakte voor deze kleinschalige bebouwing maximaal 90 m² per perceel mag bedragen. Dit laatste blijkt echter niet uit artikel 11.2.1, aanhef en onder b, van de planregels, omdat de woorden "per perceel" in deze bepaling ontbreken.
12.5 Verder heeft de raad op de zitting opgemerkt dat bijgebouwen niet zijn gedefinieerd in de planregels en dat in artikel 11.2.1, aanhef en onder e, onder 5, van de planregels, waarin is opgenomen dat per recreatiewoning op en buiten de aanduiding in totaal 15 m² aan bijgebouwen is toegestaan, "bijgebouwen" zou moeten worden vervangen door "bijbehorende bouwwerken" als bedoeld in artikel 1.34 van de planregels.
Een bijbehorend bouwwerk is op grond van artikel 1.34 van de planregels "een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden met een dak". Hiermee is volgens de raad gewaarborgd dat bijbehorende bouwwerken niet verspreid over het terrein worden gerealiseerd, want dan zouden het geen bijbehorende bouwwerken bij recreatiewoningen meer zijn. Daarvoor moet enige mate van functionele verbondenheid met de recreatiewoning zijn, zo stelt de raad.
12.6 Uit het voorgaande volgt dat de betreffende planregels gebrekkig zijn, omdat in artikel 11.2.1, aanhef en onder b, van de planregels is verzuimd "per perceel" op te nemen en omdat in artikel 11.2.1, aanhef en onder e, onder 5, van de planregels "bijgebouwen" is vermeld in plaats van "bijbehorende bouwwerken". Het plan is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.
12.7 De maximale oppervlakte van de 26 recreatiewoningen die op de percelen van [appellant sub 1] zijn toegestaan, bedraagt 1.820 m² (70 m² x 26).
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, bedraagt de maximale oppervlakte van kleinschalige bebouwing als genoemd in artikel 11.2.1, aanhef en onder a, op grond van het bepaalde onder b maximaal 90 m² per perceel.
Daarnaast is een oppervlakte van maximaal 15 m² aan bijbehorende bouwwerken per recreatiewoning toegestaan (15 m² x 26 = 390 m²).
Dit komt neer op een oppervlakte van in totaal 2.300 m² (1.820 m²+ 390 m²+ 90 m²) op de percelen van [appellant sub 1].
De raad heeft niet aannemelijk gemaakt dat voor het bieden van flexibiliteit aan de eigenaren van de recreatiewoningen een bouwvlak van ruim 50.000 m² nodig of gewenst is en dat dit ruime bouwvlak voor het recreatieve medegebruik de ecologische waarden en kenmerken van het NNB niet aantast. In zoverre kleeft ook een motiveringsgebrek aan het plan voor zover het de percelen E2154 en E2155 van [appellant sub 1] betreft.
Met de enkele verwijzing naar het vorige planologische kader gaat de raad voorbij aan het bepaalde in artikel 3.18, eerste lid, van de IOV.
Het betoog slaagt.
Goothoogte
13 IVN en anderen betogen dat de raad de verruiming van de goothoogte van bijgebouwen van 2,5 meter naar 3 meter niet heeft toegelicht en dat deze verruiming ook onnodig is.
13.1 De raad stelt dat de goothoogte van bijbehorende bouwwerken op 3 meter is gesteld, omdat dit aansluit bij de bouweisen van deze tijd en de actuele bijgebouwenregeling weergeeft zoals deze binnen de gemeente wordt gehanteerd.
13.2 De raad heeft de verhoging van de goothoogte met 50 cm naar 3 meter hiermee voldoende gemotiveerd en de keuze voor deze goothoogte kunnen maken. Dat IVN en anderen deze goothoogte onnodig achten, betekent niet dat deze uit ruimtelijk oogpunt niet aanvaardbaar is.
Het betoog slaagt niet.
Verharding
14 IVN en anderen betogen dat het plan ten onrechte toestaat dat overal binnen de bestemming "Natuur" kan worden geparkeerd en meerdere verhardingen voor parkeren tot 100 m² kunnen worden aangelegd, wat kan leiden tot aantasting van de natuurwaarden. De verhardingen voor onder meer het parkeren zouden volgens IVN en anderen binnen het bouwvlak voor de recreatiewoningen moeten vallen.
14.1 De raad stelt dat het vergunningenstelsel voor het aanbrengen van oppervlakte verhardingen weliswaar een ondergrens stelt van 100 m², maar niet leidt tot een wildgroei aan verhardingen in het gebied, omdat de verhardingen in de eerste plaats voor de bestemming "Natuur" moeten zijn.
14.2 De voor "Natuur" aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische kenmerken en waarden vanwege de ligging binnen het NNB. Daarnaast zijn deze gronden ook bestemd voor extensief recreatief medegebruik.
14.3 Op grond van artikel 11.4.1 van de planregels is het verboden op de voor "Natuur" aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden de in het schema onder 11.4.4 opgenomen omgevingsvergunningsplichtige werken en werkzaamheden uit te (doen) voeren.
Op grond van artikel 11.4.3 wordt de in artikel 11.4.1 bedoelde vergunning slechts verleend indien na een belangenafweging blijkt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de aanwezige waarden als opgenomen in 11.1. Ten behoeve van de belangenafweging zijn in het schema onder 11.4.4 de toetsingscriteria weergegeven.
In het schema onder 11.4.4 is het buiten een agrarisch perceel aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m², anders dan een bouwwerk, aangemerkt als een omgevingsvergunningsplichtig werk of werkzaamheid.
14.4 Op grond van artikel 11.4.1 en het schema onder 11.4.4 geldt een vergunningplicht voor het aanleggen van verhardingen vanaf 100 m². De Afdeling volgt het betoog van IVN en anderen dat uiteindelijk een groot oppervlakte kan worden verhard binnen de bestemming "Natuur", bijvoorbeeld door het telkens, en vergunningvrij, aanleggen van verhardingen van minder dan 100 m². Omdat geen vergunningplicht geldt voor het aanleggen van verhardingen van minder dan 100 m² en maximering van de totale verharde oppervlakte niet is geborgd in het plan, is naar het oordeel van de Afdeling niet geborgd dat de ecologische waarden niet onevenredig worden aangetast door verharding. Het plan is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.
Het betoog slaagt.
Landschappelijke inpassing
15 IVN en anderen betogen dat de landschappelijke inpassing bij bebouwing op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden-Natuur en landschap" ten onrechte niet in het plan is geborgd en is beperkt tot de bouw van kassen. Op dit punt heeft de raad de regels van het plan ten onrechte niet afgestemd met die van andere bestemmingsplannen voor het buitengebied, zo stellen IVN en anderen.
15.1 De Afdeling volgt dit betoog niet. In verschillende planregels voor gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden-Natuur en landschap" waarop artikel 4 van de planregels betrekking heeft, is een voorwaardelijke verplichting voor landschappelijke inpassing opgenomen. Dit is niet beperkt tot de bouw van kassen. Zo is de landschappelijke inpassing geborgd in de artikelen 4.7.1, aanhef en onder h, 4.7.2, aanhef en onder k, 4.7.3, aanhef en onder l, en 4.7.4, aanhef en onder k, van de planregels. Dit heeft betrekking op situaties waarin het college gebruik maakt van zijn wijzigingsbevoegdheid voor de vergroting of vormverandering van het bouwvlak van een agrarisch bedrijf of voor wijziging van dit bouwvlak in de bestemmingen "Recreatie", of "Wonen" of "Bedrijf" bij beëindiging van een agrarisch bedrijf. Ook is de voorwaarde van landschappelijke inpassing opgenomen in artikel 4.7.6, aanhef en onder f, van de planregels bij de bevoegdheid van het college om de bestemming "Agrarisch met waarden-Natuur en landschap" te wijzigen door hieraan de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch-permanente teeltondersteunende voorzieningen" te wijzigen en/of toe te voegen.
Het betoog slaagt niet.
Teeltondersteunende voorzieningen
16 IVN en anderen betogen, onder verwijzing naar een eerdere uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2694), dat de regelingen voor teeltondersteunende voorzieningen op de voor "Agrarisch" aangewezen gronden veel te ruim zijn in het plan, waardoor de agrarische percelen vol kunnen worden gezet met deze voorzieningen. IVN en anderen voeren aan dat in de artikelen 3.2.5 en 4.2.5 van de planregels het begrip "tijdelijk" is opgenomen, zonder dat dit begrip is gedefinieerd. Het is volgens hen ook onduidelijk waarop het maximum van 2 hectare dat in deze bepalingen wordt genoemd, betrekking heeft. Zij vragen zich af of dit per kavel of anderszins geldt.
16.1 Op grond van artikel 1.140 van de planregels zijn tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen gedefinieerd als teeltondersteunende voorzieningen die op dezelfde locatie gebruikt kunnen worden zo lang de teelt dit vereist, maar maximaal 6 maanden per kalenderjaar. Deze tijdelijke voorzieningen hebben een directe relatie met het grondgebruik, zoals folies, insectengaas, acryldoek, wandelkappen, schaduwhallen, hagelnetten en dergelijke.
Op grond van artikel 3.2.5, aanhef en onder b, van de planregels geldt op gronden met de bestemming "Agrarisch" dat voor het oprichten van bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten de aanduiding "bouwvlak", de bouwhoogte van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde teeltondersteunende kassen, niet meer dan 3 meter bedraagt met een maximum oppervlakte van 2 hectare.
Op grond van artikel 4.2.5, aanhef en onder d, van de planregels is voor gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur en landschap" eenzelfde bepaling opgenomen.
16.2 Uit het voorgaande volgt dat tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in de planregels zijn gedefinieerd en dat met "tijdelijk" maximaal 6 maanden per kalenderjaar is bedoeld.
In zoverre slaagt het betoog niet.
16.3 Zoals op de zitting is besproken, kan uit de door IVN en anderen genoemde bepalingen niet worden afgeleid waaraan het maximum van 2 hectare is gerelateerd. Dit zou bijvoorbeeld per bedrijf of per perceel kunnen zijn. IVN en anderen worden daarom gevolgd in hun stelling dat dit onduidelijk is. De artikelen 3.2.5, aanhef en onder b, en 4.2.5, aanhef en onder d, van de planregels bevatten op dit punt een gebrek.
In zoverre slaagt het betoog.
17 IVN en anderen betogen ook dat de artikelen 3.3.1 en 4.3.1 van de planregels de indruk wekken dat voor sommige teeltondersteunende voorzieningen geen omgevingsvergunning is vereist.
17.1 In de artikelen 3.2.4, 3.2.5, 4.2.4 en 4.2.5 zijn regels gesteld voor teeltondersteunende voorzieningen. De raad heeft hierin geborgd dat deze voorzieningen alleen buiten het bouwvlak mogen worden gerealiseerd als hiervoor een aanduiding is. Zo is in de artikelen 3.2.5, aanhef en onder c, en 4.2.5, aanhef en onder e, van de planregels bepaald dat buiten de aanduiding "bouwvlak" permanente teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde teeltondersteunende kassen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen" mogen worden gerealiseerd. Verder is in artikel 4.2.5, aanhef en onder f, van de planregels opgenomen, dat ter plaatse van de aanduiding "ecologische verbindingszone" en/of "natuurwaarden" het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten het bouwvlak niet is toegestaan.
17.2 Van de planregels voor teeltondersteunende voorzieningen kan worden afgeweken met een omgevingsvergunning. In artikel 4.3.1 van de planregels zijn hiervoor afwegingscriteria opgenomen. Volgens de raad is daarmee een balans bereikt tussen het enerzijds mogelijk maken van agrarische bedrijfsvoering en het anderzijds beschermen van de aanwezige waarden. Wat IVN en anderen hebben aangevoerd, biedt geen concrete aanknopingspunten voor twijfel hieraan of voor het oordeel dat de vergunningssystematiek voor teeltondersteunde voorzieningen tekortschiet.
Het betoog slaagt niet.
Parkeerregeling
18 IVN en anderen betogen dat een goede regeling voor parkeren op eigen terrein ontbreekt voor gronden met een horecabestemming.
18.1 Zoals de raad terecht opmerkt, is een parkeerregeling opgenomen in artikel 31.1, aanhef en onder a, van de planregels, die ook op gronden met een horecabestemming geldt. Op grond van deze bepaling moet indien de ligging, omvang of bestemming van een gebouw of terrein daartoe aanleiding geeft, volgens de "Nota Parkeernormering Bergen op Zoom", die is opgenomen in bijlage 2 van de planregels, voor het parkeren of stallen van personenauto's voldoende ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw en/of op of onder het (onbebouwd blijvende deel van het) terrein.
De bijlage bij de Nota bevat verschillende tabellen met parkeernormen voor verschillende functies. Onder 2 van de bijlage is een afzonderlijke tabel opgenomen voor horeca en (verblijfs)recreatie. In de Nota zelf zijn de voorwaarden beschreven waaraan een aanvraag om omgevingsvergunning moet voldoen om in aanmerking te komen voor de mogelijkheid om af te wijken van het uitgangspunt van parkeren op eigen terrein. IVN en anderen hebben niet nader onderbouwd waarom deze regeling niet goed zou zijn.
Het betoog slaagt niet.
Herbestemming [locatie 3]
19 IVN en anderen betogen dat de raad de tweede agrarische bedrijfswoning aan de [locatie 3] in Bergen op Zoom (de woning), die aan drie zijden is omgeven door een agrarisch bouwvlak, ten onrechte heeft gewijzigd in een woonbestemming (de herbestemming). Zij voeren aan dat een ruimtelijke onderbouwing voor de herbestemming ontbreekt en dat het daarom onduidelijk is wat voortzetting van het bedrijf voor gevolgen heeft voor het woonmilieu ter plaatse. Verder is het volgens hen onduidelijk of op langere termijn weer behoefte bestaat aan een tweede bedrijfswoning. Op de zitting hebben zij gesteld dat zij met het betoog willen bereiken dat het agrarische bedrijf aan de [locatie 4] ook tot burgerwoning wordt bestemd.
19.1 De raad stelt dat de woning onder het vorige plan planologisch verbonden was aan het agrarische bedrijf aan de [locatie 4]. Door de woning af te splitsen van het agrarische bedrijf en te herbestemmen naar "Wonen" wordt de planologische situatie volgens de raad in overeenstemming gebracht met de bestaande feitelijke situatie. Onder verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing, stelt de raad dat aan de voorwaarden voor herbestemming is voldaan. De Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) en de provincie zijn volgens de raad ook akkoord gegaan met de herbestemming.
19.2 [partij A] stelt dat hij sinds 28 oktober 1982 met zijn gezin aan de [locatie 3] woont. Zijn broer, die op leeftijd is, houdt nog vee aan de [locatie 4], maar volgens [partij A] is dit uit plezier en hobbymatig. Hij verwacht dat de agrarische functie daar in de toekomst verdwijnt. [partij A] merkt verder op dat de procedure voor de herbestemming 5 jaar heeft geduurd, dat het veel heeft gekost en dat hij heeft voldaan aan alle eisen die door de provincie en de gemeente zijn gesteld. De feitelijke situatie die al 40 jaar bestaat, is volgens [partij A] nu eindelijk vastgelegd in het plan.
19.3 Op grond van artikel 3.69, aanhef en onder c, van de IOV kan een bestemmingsplan in afwijking van artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied voorzien in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt en overtollige bebouwing wordt gesloopt.
19.4 Anders dan IVN en anderen stellen, ligt aan de herbestemming van de woning een ruimtelijke onderbouwing ten grondslag. Deze is opgenomen in bijlage 2.2. bij de plantoelichting. Hierin is de herbestemming getoetst aan de voorwaarden van artikel 3.69, aanhef en onder c, van de IOV. Volgens de ruimtelijke onderbouwing wordt aan die voorwaarden voldaan, omdat alleen de woning aan de [locatie 3] wordt afgesplitst, er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt en er geen overtollige bebouwing op de locatie is.
Ook is volgens de ruimtelijke onderbouwing voldaan aan de voorwaarden van afdeling 3.1 van de IOV. Er is namelijk in de beoogde situatie sprake van zorgvuldig ruimtegebruik, omdat bestaande bebouwing wordt ingezet: de bedrijfswoning wordt herbestemd naar een burgerwoning overeenkomstig de al jaren bestaande situatie, er wordt geen nieuwe bebouwing toegevoegd. Verder is over de kwaliteitsverbetering van het landschap opgemerkt dat de herbestemming een ruimtelijke ontwikkeling in categorie 1 is, namelijk met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist. Voor het plan zal kwaliteitsverbetering plaatsvinden door het positief bestemmen van een feitelijk afgesplitste woning. Door het toekennen van een passende bestemming wordt leegstand en verpaupering van de voormalige bedrijfswoning voorkomen. Daarnaast wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing om de aanwezige omgevingskwaliteiten verder te behouden. Verwezen wordt naar het landschappelijk inpassingsplan voor de [locatie 3] dat als bijlage 6.3 bij de plantoelichting is opgenomen.
Verder zijn in de ruimtelijke onderbouwing de milieuaspecten geluid, luchtkwaliteit, bodem, water, flora en fauna, archeologie, milieuhinder bedrijvigheid, en externe veiligheid betrokken. Geconcludeerd is, samengevat weergegeven, dat er geen relevante milieukundige of ruimtelijke belemmeringen zijn om niet mee te werken aan de herbestemming. Er is ook geen sprake van onevenredige belemmeringen van omliggende (veehouderij)bedrijven en ter plaatse van de [locatie 3] is volgens de ruimtelijke onderbouwing sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Betrokken is ook dat het bedrijf aan de [locatie 4] in afbouw en zeer kleinschalig van aard is, dat de locatie een gebrek heeft aan ontwikkelingsmogelijkheden met betrekking tot de veehouderij, dat het gebruik vooral hobbymatig is en de geurhinder daarom zeer beperkt. Volgens de ruimtelijke onderbouwing is het niet aannemelijk dat de veehouderij gaat uitbreiden en is de kans aannemelijk dat de veehouderij in de nabije toekomst zal worden beëindigd, gelet op de ongunstige situering en omvang van het bouwvlak en de plannen van de ondernemer.
19.5 Het betoog van IVN en anderen biedt geen grond voor het oordeel dat de raad het besluit van 30 september 2021 niet op deze ruimtelijke onderbouwing heeft kunnen baseren. De raad heeft zich op basis daarvan redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat aan de provinciale voorwaarden is voldaan en dat de gevolgen voor het woonmilieu ter plaatse aanvaardbaar zijn. Daarbij betrekt de Afdeling ook dat de raad in artikel 16.4.2, onder a, van de planregels voorwaardelijke verplichtingen heeft opgenomen voor de landschappelijke inpassing van de woonfunctie aan de [locatie 3]. Zo is onder meer geborgd dat deze binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van het plan gerealiseerd dient te zijn.
19.6 Gelet op het zogenoemde "noodzakelijkheids-criterium" als bedoeld in artikel 3.70, eerste lid, van de IOV, volgt de Afdeling ook het standpunt van de raad dat voor een tweede bedrijfswoning in de toekomst niet hoeft te worden gevreesd. Zoals in de plantoelichting is opgemerkt, biedt artikel 5.5.2, aanhef en onder c, van de planregels ook geen ruimte voor het realiseren van een tweede agrarische bedrijfswoning.
19.7 IVN en anderen hebben weliswaar gesteld, maar niet onderbouwd, in welke andere situatie de raad niet heeft ingestemd met een soortgelijk verzoek om herbestemming.
Het betoog slaagt niet.
20 IVN en anderen betogen ook dat de herbestemming in strijd is met de planregels, omdat deze herbestemming alleen mogelijk maken als het agrarische bedrijf ter plaatse stopt, terwijl het agrarische bedrijf aan de [locatie 4] blijft bestaan.
20.1 De Afdeling begrijpt dit betoog zo, dat IVN en anderen een beroep doen op artikel 4.7.2 van de planregels. Hierin is opgenomen dat het college bevoegd is om bij de beëindiging van een agrarisch bedrijf de bestemming "Agrarisch met waarden-Natuur en landschap" met de aanduiding "bouwvlak" te wijzigen in de bestemming "Wonen", onder de voorwaarden die in deze bepaling zijn opgenomen.
De raad heeft op basis van de ruimtelijke onderbouwing in het plan al een rechtstreekse woonbestemming toegekend aan het perceel [locatie 3]. Daarmee is deze bestemming in het plan geregeld en is het gebruik als burgerwoning bij recht toegestaan. De wijzigingsbevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders is dus niet aan de orde. Dit betekent dat niet wordt getoetst aan de voorwaarden van artikel 4.7.2 van de planregels.
Het betoog slaagt niet.
Relativiteit
20.2 Omdat de beroepsgronden van IVN en anderen over de herbestemming niet slagen, bespreekt de Afdeling niet het standpunt van de raad dat het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste aan een vernietiging van het bestreden besluit op deze gronden in de weg staat.
Speelbos
21 IVN en anderen betogen dat artikel 11.4.4 van de planregels moet worden vernietigd, omdat hierin de aanleg van een speelbos mogelijk wordt gemaakt met een omgevingsvergunning, zonder dat hiervoor verder iets is geregeld in het plan, zoals over de oppervlakte, de bouwhoogte en de afweging van de ecologische en landschappelijke waarden.
21.1 De raad wijst op de definitie van "speelbos" en stelt dat dit speelbos onder de in artikel 11.4.4 van de planregels gestelde voorwaarde toelaatbaar is met een omgevingsvergunning.
21.2 Op grond van artikel 1.134 van de planregels is een speelbos een natuurlijke speeltuin, zonder gebruikelijke speeltoestellen zoals schommels en klimrekken, geschikt voor het bouwen van boomhutten en bruggetjes en daarmee vergelijkbare natuurlijke spelactiviteiten in een bos.
Op grond van de artikelen 11.4.1 en 11.4.4 van de planregels is een omgevingsvergunning vereist voor de aanleg van een speelbos op de voor "Natuur" aangewezen gronden. Deze vergunning wordt op grond van artikel 11.4.3 van de planregels slechts verleend indien na een belangenafweging blijkt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de aanwezige waarden als opgenomen in 11.1. Voor de belangenafweging zijn in het schema onder 11.4.4 de toetsingscriteria weergegeven, waarbij voor de aanleg van een speelbos geldt dat geen aantasting plaatsvindt van de natuurwaarde van het bosgebied.
21.3 De Afdeling kan het standpunt van de raad volgen dat de aanleg van een speelbos gelet op deze bepalingen toelaatbaar is. Daarbij zijn van belang de hierin opgenomen definitie van speelbos, de omgevingsvergunningsplicht en het in artikel 11.4.4. van de planregels gestelde criterium dat een omgevingsvergunning slechts wordt verleend als geen aantasting plaatsvindt van de natuurwaarde van het bosgebied. De door IVN en anderen genoemde aspecten, zoals oppervlakte en bouwhoogte, kunnen bij het besluit op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de aanleg van een speelbos worden betrokken bij de beantwoording van de vraag of deze aanleg de natuurwaarde van het bosgebied niet aantast.
Het betoog slaagt niet.
Klimbos
22 IVN en anderen betogen dat ten onrechte de bestemming "Bos" met recreatief medegebruik is toegekend aan de gronden van het Klimbos aan de Boslustweg 1. Zij voeren aan dat de gronden deel uitmaken van het NNB en dat deze daarom in eerste instantie een natuurfunctie moeten hebben. Zij stellen dat de raad, anders dan in de zienswijzennota is aangekondigd, niet aan de bestemmingsomschrijving heeft toegevoegd: "aanwezige ecologische kenmerken en waarden en landschappelijke waarden en kenmerken". IVN en anderen hebben op de zitting gesteld dat het hen niet om het klimmen gaat, maar om de bouwmogelijkheden.
22.1 Het oostelijk deel van het Klimbos is gelegen op gronden met de bestemming "Recreatie" en het westelijk deel op gronden met de bestemming "Bos". Op de zitting is gebleken dat het betoog betrekking heeft op het westelijk deel, dat in het NNB ligt. Aan dit plandeel zijn naast de bestemming "Bos" de functieaanduidingen "dagrecreatie" en "natuurwaarden" toegekend.
22.2 De raad wijst erop dat in artikel 6.1, onder a, van de planregels, de door IVN en anderen bedoelde bestemmingsomschrijving is aangevuld en dat de bouwmogelijkheden van het Klimbos beperkt zijn.
22.3 De Afdeling begrijpt uit het betoog van IVN en anderen, dat zij doelen op artikel 3.15, eerste lid, onder a en b, van de IOV. Op grond hiervan strekt een bestemmingsplan van toepassing op het NNB tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken, en bevat dit bestemmingsplan regels gericht op de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken. Daarbij houdt dit bestemmingsplan ook rekening met andere aanwezige waarden en kenmerken, zoals rust, stilte, cultuurhistorische waarden en kenmerken.
22.4 Op grond van artikel 3.18, eerste lid, van de IOV kan een bestemmingsplan bepalen dat het oprichten van kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurfunctie of het recreatieve medegebruik daarvan zijn toegestaan, als dit geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB.
22.5 De gebruiksactiviteiten van het Klimbos waren eerder planologisch toegestaan onder het bestemmingsplan "Klimbos en omgeving", vastgesteld op 29 november 2012.
22.6 Zoals de raad stelt, is op grond van artikel 6.1, onder a, van de planregels de bestemming "Bos" voor het "behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige ecologische waarden en kenmerken, als ook de landschappelijke waarden en kenmerken."
Op grond van artikel 6.1, onder e, van de planregels geldt voor gronden met de bestemming "Bos" ter plaatse van de aanduiding "natuurwaarden", dat deze ook voor het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische kenmerken en waarden vanwege de ligging binnen het NNB zijn.
Verder is aan de gronden ook de gebiedsaanduiding "milieuzone grondwaterbeschermingsgebied" toegekend. Op grond van artikel 32.9 van de planregels geldt dat ter plaatse van die aanduiding het de 25-jaarszone kwetsbaar betreft. Hierbinnen geldt dat er geen negatieve verandering mag plaatsvinden in de risico's van de kwaliteit van het grondwater.
De raad heeft de door IVN en anderen gestelde natuurwaarden ter plekke dus onderkend en met deze planregels het behoud, herstel en de duurzame ontwikkeling van de ecologische kenmerken en waarden geborgd.
22.7 Op grond van artikel 6.1, onder f, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Bos" ter plaatse van de aanduiding "dagrecreatie" ook voor dagrecreatie bestemd. Op grond van artikel 1.50 van de planregels wordt onder "dagrecreatie" verstaan, activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie, waarbij overnachting niet is toegestaan.
22.8 Op de gronden met de bestemming "Bos" mogen op grond van de bouwregels van artikel 6.2, aanhef en onder a en b, van de planregels, uitsluitend bouwwerken ten dienste van die bestemming worden gebouwd, waarbij enkel kleinschalige bebouwing en voorzieningen met een gezamenlijke oppervlakte per bestemmingsvlak van 90 m² is toegestaan. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 4,5 meter bedragen.
Op grond van deze bepaling onder c, mogen ter plaatse van de aanduiding "dagrecreatie" uitsluitend bouwwerken worden gebouwd op een minimale hoogte van 4,6 meter boven peil. Dit geldt niet voor informatie-, entree-, of schuilvoorzieningen en hekwerken. De bouwhoogte van die bouwwerken bedraagt maximaal 3 meter en bij kunstobjecten maximaal 4,5 meter. Op grond van artikel 6.3 van de planregels kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel 6.2 onder c van de planregels om een bouwhoogte van 7 meter toe te staan, mits het bouwwerk noodzakelijk is voor een doelmatig beheer van de gronden en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuur- en landschapswaarden.
22.9 Gelet op deze bouwregels, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt kunnen stellen dat de bouwmogelijkheden van het Klimbos beperkt zijn. Het betoog van IVN en anderen biedt geen grond voor het oordeel dat de gestelde beperkingen niet volstaan.
Het betoog slaagt niet.
23 Het betoog van IVN en anderen richt zich verder tegen het hondensportcentrum dat door het plan mogelijk wordt gemaakt aan Het Laag 2. Omdat dit betoog overeenkomt met de betogen van [appellant sub 3] en de stichting, die op dit punt ook een afzonderlijk beroepschrift heeft ingesteld, worden deze betogen hierna gezamenlijk behandeld.
De beroepen over Het Laag 2
24 Aan Het Laag 2 in Bergen op Zoom (het plandeel) wordt het hondensportcentrum "Dogs in Touch" geëxploiteerd. De gronden hebben in het plan de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur en landschap". Daarnaast geldt de functieaanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - hondenschool" (hierna: een hondensportcentrum). De uitoefening van een hondensportcentrum is op grond van artikel 4.1, aanhef en onder e, van de planregels toegestaan, uitsluitend inpandig in de agrarische bedrijfsgebouwen, onder de voorwaarden die in artikel 4.4.1, aanhef en onder o, van de planregels zijn gesteld.
25 [appellant sub 3], de stichting en IVN en anderen (hierna: [appellant sub 3] en anderen) komen op tegen deze functieaanduiding en deze bepalingen.
[appellant sub 3] woont aan [locatie 5] in Bergen op Zoom, nabij het hondensportcentrum.
Voor de doelomschrijvingen van de stichting en IVN en anderen verwijst de Afdeling naar de overweging onder 8.
26 [appellant sub 3] en anderen betogen dat het plandeel onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Zij voeren aan dat het plan, in afwijking van het ontwerpplan, voor het eerst een hondensportcentrum ter plekke toelaat, terwijl het een conserverend plan is en een nadere toelichting om de activiteit toe te laten ontbreekt. Zij wijzen op het verslag van de STAB van 9 september 2020 en de notities van Peutz van 11 mei 2021 en 1 februari 2022, waaruit blijkt dat geen akoestisch aanvaardbare situatie kan worden gerealiseerd. Verder wijzen zij op de uitspraak van de rechtbank van 20 januari 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:227, waarin het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning voor het hondensportcentrum is vernietigd. Daarnaast voeren zij aan dat het plan in strijd is met artikel 3.73 van de IOV omdat een gebiedsgerichte benadering waaruit blijkt dat de activiteit in de omgeving past, ontbreekt. Tot slot voeren zij aan dat de planregels onduidelijk zijn. Zo is het begrip "hondensportcentrum" niet gedefinieerd, in de voorwaarden van artikel 4.4.1, aanhef en onder o, van de planregels niet verduidelijkt in welk deel van de grote hal deze activiteit is toegestaan en wijken de voorwaarden van de planregels af van die van de omgevingsvergunning, ook ten nadele van de omgeving.
26.1 Het beroep tegen het besluit van 31 juli 2019 tot verlening van een omgevingsvergunning aan Dogs in Touch voor het uitoefenen van een hondensportcentrum ter plekke is in de hiervoor vermelde uitspraak van de rechtbank van 20 januari 2022 gegrond verklaard. Zoals [appellant sub 3] en anderen aanvoeren, heeft de rechtbank dit besluit, onder verwijzing naar het verslag van de STAB, vernietigd wegens motiveringsgebreken.
26.2 De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft bij uitspraak van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1278, het besluit van 30 september 2021, voor zover het ziet op het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden-Natuur en landschap" en de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk-hondenschool", geschorst. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de voorwaarden van artikel 4.4.1, aanhef en onder o, van de planregels rechtsonzeker zijn, dat deze ook zonder motivering afwijken van die van de omgevingsvergunning en dat de systematiek van de bepaling niet aansluit bij de andere onderdelen van artikel 4.4.1. Verder heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de raad niet heeft gemotiveerd waarom het plandeel in overeenstemming is met de IOV.
26.3 De raad heeft geen redenen aangevoerd waarom de uitspraak van de voorzieningenrechter onjuist of onvolledig zou zijn. Integendeel, naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter heeft de raad het standpunt ingenomen dat de ruimtelijke onderbouwing en regeling in het plan voor een hondensportcentrum tekortschieten en dat daarom een nieuw besluit op de aanvraag om een omgevingsvergunning zal worden genomen, die in het plan zal worden verwerkt. De raad heeft gesteld dat in afwachting hiervan de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk-hondenschool" voor het plandeel met een reparatieherziening zal worden geschrapt.
Op de zitting is gebleken dat de raad nog in gesprek is met de initiatiefnemer, dat een andere aanvraag voor de omgevingsvergunning moet worden ingediend en dat het plandeel nog moet worden aangepast.
26.4 Omdat de raad zich nu op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het plandeel naar het oordeel van de Afdeling alleen al daarom in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Aan het plandeel kleeft, voor zover het de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk-hondenschool" binnen de bestemming "Agrarisch met waarden-Natuur en landschap" betreft, een gebrek. Dit geldt ook voor artikel 4.1, aanhef en onder e, van de planregels, waarin de uitoefening van een hondensportcentrum wordt toegestaan, en voor artikel 4.4.1, aanhef en onder o, van de planregels met de voorwaarden voor die uitoefening.
De betogen van [appellant sub 3] en anderen slagen.
26.5 Gelet op het voorgaande, komt de Afdeling niet toe aan beoordeling van hetgeen [appellant sub 3] en anderen verder hebben aangevoerd.
Het beroep van [appellant sub 5]
27 [appellant sub 5] woont en houdt paarden aan [locatie 6] in Bergen op Zoom op een perceel met een oppervlak van ruim 27.000 m². De bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" met de aanduiding agrarisch bouwblok die onder het bestemmingsplan "Buitengebied Oost" rustte op deze gronden, is in het plan gewijzigd in de bestemmingen "Natuur" en "Agrarisch met waarden-Natuur en landschap".
28 [appellant sub 5] betoogt dat de in het plan opgenomen bestemming "Natuur" niet in overeenstemming is met het huidige gebruik van haar gronden en dat er ook geen aanwijzingen zijn dat de natuurbestemming zal worden gerealiseerd. Verder spoort het vlak met de bestemming "Natuur" op haar gronden volgens [appellant sub 5] niet met de begrenzing van het NNB.
Bij de bestemming "Agrarisch met waarden-Natuur en landschap" ontbreekt volgens [appellant sub 5] een specifieke aanduiding voor haar bedrijfsactiviteiten met paarden, die zij onverkort wil voortzetten en mogelijk wil uitbreiden, bijvoorbeeld met een recreatieve invulling. [appellant sub 5] wil bereiken dat de raad de bebouwing en bedrijfsactiviteiten in het plan toestaat, ook om te voorkomen dat zij ernstige financiële schade lijdt.
28.1 De raad deelt de mening van [appellant sub 5] dat de bestemmingswijziging niet juist is. Volgens de raad is sprake van een vergissing. Het plandeel met de bestemming "Natuur" aan [locatie 6] maakt namelijk geen onderdeel uit van het NNB en de natuurbestemming is niet noodzakelijk en niet passend. De raad heeft toegezegd dat dit zal worden hersteld in een reparatieplan, waarbij de mogelijkheden onder het vorige plan leidend zullen zijn.
28.2 Uit de stukken blijkt niet dat de raad een besluit tot wijziging als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft genomen om de vergissing te herstellen. Omdat de raad zich op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit op dit onderdeel in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.
Het besluit van 30 september 2021 bevat dus gebreken voor zover het het plandeel met de bestemming "Natuur" aan [locatie 6] in Bergen op Zoom betreft en voor zover de aanduiding "paardenhouderij" als bedoeld in artikel 4.1, aanhef en onder b, aanhef en onder 3, van de planregels ontbreekt bij het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden-Natuur en landschap" aan [locatie 6].
Het betoog slaagt.
Het beroep van [appellant sub 6]
29 [appellant sub 6] woont aan [locatie 7] in Bergen op Zoom. Hij kan zich niet vinden in de natuurbestemming die aan een deel van de gronden van dit perceel is toegekend. [appellant sub 6] wil op zijn minst bereiken dat de agrarische bestemming (met waarden) die onder het voorgaande plan "Buitengebied Oost" op de gronden rustte, wordt behouden in het plan.
29.1 De raad stelt in het verweerschrift dat de betrokken gronden vanwege een wijziging van de kaart van de provincie niet meer tot het NNB behoren. Omdat de bestemming "Natuur" ook niet noodzakelijk of passend is, heeft de raad in het verweerschrift aangekondigd dat dit zal worden hersteld in een reparatieplan.
29.2 [appellant sub 6] heeft in zijn zienswijze van 16 juni 2020 op het ontwerpplan naar voren gebracht dat hierin ten onrechte de enkelbestemming "Natuur" aan zijn perceel is toegekend. De raad heeft in de zienswijzennota, in reactie op deze zienswijze, opgemerkt dat die bestemming is toegekend vanwege de ligging van het perceel in het NNB.
In reactie op de zienswijzennota heeft [appellant sub 6] bij brief van 23 juni 2021, en daarmee vóór de vaststelling van het plan, naar voren gebracht dat dit niet juist is en dat het plandeel aan [locatie 7] met de bestemming "Natuur" voor een groot deel geen onderdeel uitmaakt van het NNB. Daarbij heeft [appellant sub 6] een kopie van het Natuurbeheerplan bijgesloten om dit aan te tonen. Niet gebleken is dat de raad hierop heeft gereageerd of hiermee rekening heeft gehouden bij de vaststelling van het plan. Eerst in het verweerschrift heeft de raad onderkend dat het plandeel met de bestemming "Natuur" niet passend is. Gelet hierop heeft de raad het besluit van 30 september 2021, door de bestemming "Natuur" toe te kennen aan [locatie 7], in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het plandeel met de bestemming "Natuur" aan [locatie 7] in Bergen op Zoom bevat dus een gebrek.
Het betoog slaagt.
30 [appellant sub 6] betoogt ook dat het plan geen recht doet aan de feitelijke en kadastrale situatie, omdat het plan maar in één bouwvlak voorziet, terwijl er twee woningen staan op twee percelen van twee verschillende eigenaren.
30.1 De raad merkt op dat onder het vorige bestemmingsplan "Buitengebied Oost" ter plekke sprake was van één agrarisch bouwvlak met twee bedrijfswoningen. Dit is volgens de raad in het plan voortgezet, gelet op het conserverende karakter hiervan. Daarbij merkt de raad op dat de kadastrale situatie niet bepalend is voor de wijze van bestemmen.
30.2 De raad heeft één bouwvlak opgenomen met een oppervlakte van ongeveer 7.200 m² (80 x 90 meter), dat deels op het perceel van [appellant sub 6] ligt en deels op het naastgelegen perceel aan [locatie 8].
Het standpunt van de raad dat een agrarisch bouwvlak in het plan is voortgezet, wordt niet gevolgd. Op grond van artikel 1.8 van de planregels wordt onder een "agrarisch bouwvlak" verstaan: een aanduiding "bouwvlak" binnen de bestemming "Agrarisch" of "Agrarisch met waarden-Natuur en landschap". Het bouwvlak ligt echter in het plandeel met de bestemming "Natuur". Anders dan de raad stelt, voldoet deze situatie niet aan de begripsomschrijving van een agrarisch bouwvlak.
Ook als sprake zou zijn van een agrarisch bouwvlak, volstaat dit in deze situatie naar het oordeel van de Afdeling niet. Binnen de bestemming "Agrarisch" of "Agrarisch met waarden-Natuur en landschap" geldt op grond van de artikelen 3.2.2 en 4.2.2 van de planregels dat er maximaal één bedrijfswoning is toegestaan per aanduiding "bouwvlak". [appellant sub 6] stelt dat er twee woningen binnen het bouwvlak staan. Niet is gebleken dat de raad heeft beoogd één bedrijfswoning weg te bestemmen.
De Afdeling concludeert dat het bouwvlak op het perceel van [appellant sub 6] niet is vastgesteld overeenkomstig de bedoeling van de raad. Ook dit onderdeel van het besluit van 30 september 2021 is in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.
Het betoog slaagt.
31 [appellant sub 6] verzoekt de raad om wijziging van het plandeel voor [locatie 7] door de aanduiding "plattelandswoning" op te nemen waarop de Wet plattelandswoningen van toepassing is.
31.1 De door [appellant sub 6] gewenste omzetting naar een woonbestemming is een ontwikkeling die volgens de raad afzonderlijk moet worden onderbouwd en onderzocht.
31.2 In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad moet bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met een particulier initiatief voor een ruimtelijke ontwikkeling als dat initiatief voldoende concreet is, tijdig aan hem kenbaar is gemaakt en hij op het moment van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan beoordelen.
31.3 [appellant sub 6] heeft de gewenste wijziging voor het eerst in zijn reactie van 23 juni 2021 op de zienswijzennota naar voren gebracht en dus relatief kort voor de vaststelling van het plan. Niet is gebleken dat [appellant sub 6] de gewenste wijziging heeft onderbouwd. De raad hoefde geen rekening te houden met het initiatief van [appellant sub 6] bij de vaststelling van het plan, omdat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het initiatief toen niet kon worden beoordeeld.
Het betoog slaagt niet.
Beroep van [appellant sub 7]
32 [appellant sub 7] woont aan de [locatie 9] in Bergen op Zoom.
Zij betoogt dat de grenzen van het plan zijn gewijzigd ten opzichte van een eerder bestemmingsplan, waardoor in het plan niet meer wordt gerept over de groenzone die aan haar perceel grenst. Zij vreest voor een nieuw industrieel plan dat vergelijkbaar is met het plan "Poortgebied Bergsche heide ontsluitingsweg" dat de Afdeling bij uitspraak van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4448, heeft vernietigd.
32.1 Voor zover het betoog is gericht tegen de vastgestelde planbegrenzing, overweegt de Afdeling dat de raad beleidsruimte toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte is echter niet zo groot dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
32.2 Zoals [appellant sub 7] stelt, strekt het plangebied zich niet uit tot de groenzone ten noorden van haar perceel. Ten tijde van het bestreden besluit was het bestemmingsplan "Buitengebied-Oost 3e herziening" voor deze zone gaan herleven, waarin de gronden ten noorden van het perceel van [appellant sub 7] waren aangewezen voor "Groenvoorzieningen". In het op 14 december 2023 vastgestelde bestemmingsplan "Poortgebied Bergsche heide 2022", is de bestemming "Groen" aan deze gronden toegekend.
32.3 De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing een goede ruimtelijke ordening dient en dat op de gronden ten noorden van het perceel van [appellant sub 7] al een ander bestemmingsplan geldt, zodat er geen noodzaak is om die gronden in het plan te betrekken. Wat [appellant sub 7] heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor twijfel hieraan. Verder is van belang dat [appellant sub 7] niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen haar perceel en de gronden ten noorden van haar perceel een zodanige samenhang bestaat, dat de raad de begrenzing van dit plangebied niet zo heeft kunnen vaststellen zoals hij heeft gedaan.
Het betoog slaagt niet.
33 [appellant sub 7] betoogt verder dat het plan op haar perceel met een oppervlakte van ongeveer 600 m² niet méér toestaat dan het bouwen van een chalet of caravan van maximaal 80 m² en een schuur van maximaal 15 m². De raad heeft de keuze hiervoor volgens [appellant sub 7] niet duidelijk gemaakt, ook niet in de reactie op haar zienswijze van 14 juli 2020 op het ontwerpplan. Zij stelt dat het adres [locatie 9] zowel haar woon- als werkadres van haar bedrijf is. Daarbij verwijst [appellant sub 7] naar de brief van de gemeente van 29 oktober 2013 waarin is bevestigd dat de verhuizing van [appellant sub 7] naar het adres [locatie 9] administratief is verwerkt in de Gemeentelijke Basisadministratie.
33.1 De raad merkt op dat het perceel van [appellant sub 7] onderdeel uitmaakt van een recreatieterrein en dat de bouw- en gebruiksregels bij de bestemming "Recreatie" en functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie-verblijfsrecreatie 3" voortkomen uit het voorgaande planologische regime. De raad merkt verder op dat het toestaan van permanente bewoning ter plekke in strijd zou zijn met artikel 3.68, eerste lid, aanhef en onder b, van de lOV en daarom niet mogelijk wordt gemaakt in het plan.
33.2 Het perceel van [appellant sub 7] heeft de bestemming "Recreatie" met onder meer de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie-verblijfsrecreatie 3".
De voor "Recreatie" aangewezen gronden met deze aanduiding zijn op grond van artikel 12.1, aanhef en onder c, van de planregels bestemd voor het plaatsen van stacaravans en/of kampeerchalets voor recreatief gebruik van personen die hun hoofdverblijf elders hebben.
Op grond van artikel 12.2.1, onder c, van de planregels geldt ter plaatse van deze functieaanduiding voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken dat maximaal één kampeerchalet of stacaravan per kadastraal perceel mag worden geplaatst, met een oppervlakte van niet meer dan 60 m², tenzij het kadastrale perceel groter is dan 400 m². In dat geval mag de oppervlakte van een kampeerchalet of stacaravan 80 m² zijn. Per kampeerchalet of stacaravan is een aangebouwd of vrijstaand bijgebouw van maximaal 15 m² toegestaan.
33.3 Op grond van artikel 3.68, eerste lid, aanhef en onder b, van de lOV bepaalt een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied dat zelfstandige bewoning van recreatiewoningen is uitgesloten.
De Afdeling stelt vast dat het perceel van [appellant sub 7] in dergelijk Landelijk gebied ligt. De Afdeling kan het standpunt van de raad volgen dat permanente bewoning daarom op grond van artikel 3.68, eerste lid, aanhef en onder b, van de lOV niet is toegestaan op dit perceel. De verwijzing door [appellant sub 7] naar haar feitelijke woon- en werksituatie en de brief van 29 oktober 2013 over die woonsituatie brengen niet met zich dat de raad gehouden was om permanente bewoning toe te staan (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1013, onder 5.2).
Het betoog slaagt niet.
Het beroep van [appellant sub 9]
34 [appellant sub 9] heeft een gemengd landbouwbedrijf aan [locatie 10] in Bergen op Zoom, dat bestaat uit veehouderij- en akkerbouwactiviteiten.
Hij betoogt dat hij door verschillende regelingen in het plan wordt gehinderd in de agrarische bedrijfsvoering op zijn gronden. Zo geldt ten onrechte voor een deel van het bouwvlak de functieaanduiding "natuurwaarden".
34.1 De raad heeft op de zitting verklaard dat de functieaanduiding "natuurwaarden" die voor een deel van het bouwvlak geldt, ten onrechte in het plan is opgenomen. Bij de vaststelling van het plan heeft de raad namelijk niet onderkend dat het bouwvlak niet is gelegen in het NNB. Volgens de raad was er dus geen aanleiding om de functieaanduiding op te nemen.
34.2 Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit wat de functieaanduiding "natuurwaarden" aan [locatie 10] betreft in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en genomen.
Het betoog slaagt.
35 [appellant sub 9] betoogt ook dat, alhoewel naar aanleiding van zijn zienswijze de bestemming "Natuur" is gewijzigd in de bestemming "Agrarisch met waarden-Natuur en Landschap" voor zijn gronden, in artikel 4.7.5 van de planregels de wijzigingsbevoegdheid naar "Natuur" is opgenomen. Daardoor is volgens hem alsnog sprake van een verkapte bestemmingswijziging. Het plan bevat volgens hem ten onrechte geen regels over de grondslag waarop deze wijziging kan plaatsvinden, wat leidt tot rechtsonzekerheid en tot schade voor zijn bedrijf. [appellant sub 9] verzoekt in beroep te bepalen dat artikel 4.7.5 van de planregels wordt vernietigd of aangepast en dat in elk geval moet worden opgenomen dat hij, of zijn rechtsopvolger, volledig schadeloos moet worden gesteld bij een wijziging naar de bestemming "Natuur".
35.1 De Afdeling stelt vast dat op de gronden van [appellant sub 9] de enkelbestemming "Agrarisch met waarden-Natuur en Landschap" rust. In artikel 4.7.5 van de planregels is voor gronden met deze bestemming opgenomen: "Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming "Agrarisch met waarden-Natuur en Landschap" te wijzigen in de bestemming "Natuur" onder de volgende voorwaarden:
a. alle aanwezige bebouwing dient te worden gesloopt;
b. na wijziging zijn de regels van de bestemming 'Natuur" van overeenkomstige toepassing;
c. voorafgaand aan de besluitvorming vindt een omgevingsdialoog plaats."
35.2 In de plantoelichting staat onder paragraaf 2.6.2.2 over deze wijzigingsbevoegdheid, dat deze is opgenomen opdat daarmee de verwijdering van de agrarische functie mogelijk kan worden gemaakt indien ter plaatse uitsluitend nog de natuurbestemming van kracht dient te zijn. Deze wijzigingsbevoegdheid kan slechts worden toegepast indien de gronden zijn verworven en op basis van vrijwilligheid, aldus de plantoelichting. Hieruit leidt de Afdeling af dat deze wijzigingsbevoegdheid zo moet worden begrepen dat deze niet kan worden toegepast zolang [appellant sub 9] of zijn rechtsopvolger eigenaar van de gronden is en hij niet wil meewerken aan of geen toestemming wil geven voor de sloop van legaal opgerichte bebouwing. Dat deze wijzigingsbevoegdheid dus pas aan de orde kan zijn na verwerving van de gronden door een organisatie voor natuurontwikkeling of een andere derde, heeft de raad op de zitting desgevraagd bevestigd.
Het betoog slaagt niet.
36 [appellant sub 9] betoogt dat hij zijn bedrijf niet kan uitbreiden door artikel 4.2.6 van de planregels. De IOV bevat een uitzondering op deze regeling, maar de raad heeft deze volgens [appellant sub 9] ten onrechte niet in het plan verwerkt. Hierdoor wordt hij onevenredig in zijn uitbreidingsmogelijkheden beperkt, terwijl hij een grondgebonden veehouderij heeft die voldoet aan de "Nadere regels zorgvuldige boerderij uit de IOV".
36.1 Wat de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch-beperkingen veehouderij" betreft, die voor het bouwvlak en de gronden van [appellant sub 9] is opgenomen, overweegt de Afdeling als volgt.
36.2 Op grond van artikel 4.2.6 van de planregels geldt dat ter plaatse van deze aanduiding, kort gezegd, uitbreiding van de bestaande oppervlakte van gebouwen en bouwwerken niet is toegestaan. De raad heeft hierover toegelicht dat deze planregeling voortvloeit uit de verplichtingen die voor de raad volgen uit artikel 3.51 van de IOV. Naar [appellant sub 9] evenwel terecht stelt, kent deze bepaling in het derde lid een uitzondering, namelijk dat de in het eerste lid opgenomen beperkingen niet van toepassing zijn als er sprake is van een grondgebonden veehouderij die voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in de Nadere regels zorgvuldige veehouderij. De Afdeling stelt vast dat een dergelijke uitzonderingsbepaling als opgenomen in artikel 3.51, derde lid, van de IOV ontbreekt in artikel 4.2.6 van de planregels zonder dat de raad hiervoor een deugdelijke motivering heeft gegeven.
Het betoog slaagt.
37 [appellant sub 9] betoogt verder dat de dubbelbestemming "Waarde-Attentiezone waterhuishouding" voor zijn percelen een uitgebreide vergunningplicht voor werken en werkzaamheden in het leven roept. Hij stelt dat dit leidt tot een onnodige verzwaring van de regeldruk en onnodige kosten voor hem. Volgens [appellant sub 9] zijn de werken/werkzaamheden waarvoor een vergunningplicht geldt bovendien belemmerend voor zijn normale bedrijfsvoering. De regeling is volgens hem rechtsonzeker. Het is namelijk onduidelijk wat onder "normaal onderhoud en beheer" wordt verstaan waarvoor geen vergunningplicht geldt.
37.1 De raad heeft toegelicht dat de desbetreffende gronden in het kader van de IOV zijn aangeduid als "Attentiezone waterhuishouding". De raad stelt dat hij gehouden was de bestreden vergunningplicht op te nemen, omdat in artikel 3.26, eerste lid, van de IOV is bepaald dat een bestemmingsplan dat van toepassing is op een "Attentiezone waterhuishouding" strekt tot bescherming van de waterhuishouding en functies en activiteiten uitsluit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen NNB.
37.2 Op de gronden van [appellant sub 9] geldt de dubbelbestemming "Waarde-Attentiezone waterhuishouding". In artikel 26.3.1 van de planregels is de door [appellant sub 9] bestreden vergunningplicht opgenomen voor het uitvoeren van de in dat artikel nader omschreven werken en werkzaamheden. De Afdeling stelt vast dat deze regeling, onder e tot en met l, verder strekt dan uit artikel 3.26, tweede lid, van de IOV voortvloeit. De raad mag werken en werkzaamheden aan een strenger vergunningenregime onderwerpen, maar moet dit dan wel deugdelijk motiveren. De enkele stelling dat de raad tot de regeling in artikel 26.3.1 van de planregels gehouden is omdat dit uit de IOV voortvloeit, is in dit geval ontoereikend. Hieruit volgt dat de raad het bestreden besluit op dit onderdeel onvoldoende heeft gemotiveerd en in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb heeft vastgesteld.
Het betoog slaagt.
37.3 De Afdeling komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van wat [appellant sub 9] verder nog heeft aangevoerd.
Het beroep van [appellant sub 10]
38 [appellant sub 10] is eigenaar van een bosperceel aan de [locatie 11] in Bergen op Zoom met een oppervlakte van ruim 31.000 m² (het bosperceel). Bij het plan is aan het bosperceel de enkelbestemming "Natuur" en de dubbelbestemming "Waarde-Attentiezone waterhuishouding" toegekend.
Bestemming "Natuur"
39 [appellant sub 10] betoogt dat ten onrechte de bestemming "Natuur" aan het bosperceel is toegekend. Volgens [appellant sub 10] ligt de bestemming "Bos" meer in de rede, omdat het een conserverend plan is waarin de bestaande legale situatie moet worden bestemd, het om een bosperceel gaat dat in het NNB ligt en het in het Natuurbeheerplan is aangemerkt als beheertype "Droog bos met productie".
39.1 In de brief van het college van 19 augustus 2021 is toegelicht dat onder het vorige plan "Buitengebied Oost" aan de percelen binnen het NNB niet dezelfde bestemming was toegekend en dus geen uniformiteit bestond.
In het plan is één systematiek gehanteerd, namelijk door de bestemming "Natuur" toe te kennen aan de percelen die binnen het NNB zijn aangemerkt als gerealiseerde natuur. Aan de percelen binnen het NNB die als "niet gerealiseerd" zijn aangemerkt, kent de raad in het plan een andere bestemming toe met de aanduiding "natuurwaarden".
De raad merkt op dat deze systematiek van bestemmen leidt tot uniformiteit en duidelijkheid. Volgens de raad wordt [appellant sub 10] hierdoor niet in zijn belangen geschaad en heeft de raad met de bestemming "Natuur" aansluiting gezocht bij het NNB en het daarbij behorende Natuurbeheerplan.
39.2 Niet in geschil is dat het bosperceel binnen het NNB ligt en is aangemerkt als gerealiseerde natuur. De raad heeft overeenkomstig de beschreven systematiek besloten de bestemming "Natuur" aan het bosperceel toe te kennen.
39.3 In het Natuurbeheerplan is bij de omschrijving van het beheertype N16.03 "Droog bos met productie" vermeld dat menselijk beheer, zoals kap, begrazingsbeheer en inbreng van strooiselverrijkende soorten vaak nodig is om dynamiek, variatie en vestigingsmilieus te bevorderen. Verder is vermeld dat met aanvullende bosverjongingsactiviteiten met primair lokaal gewenste inheemse boom- en struiksoorten een nieuwe gewenste bosgeneratie van voldoende ecologische kwaliteit wordt gerealiseerd.
De planregels maken dit beheer binnen de bestemming "Natuur" op het bosperceel mogelijk. Zo heeft de raad in artikel 11.1, aanhef en onder a, van de planregels opgenomen dat de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd zijn voor behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische kenmerken en waarden vanwege de ligging binnen het NNB.
Daarbij komt dat uit de brief van het college van 19 augustus 2021 volgt dat houtproductie op gronden met de bestemming "Natuur" ook mogelijk is als de houtproductie is gericht op het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische kenmerken en waarden ter plaatse.
Gelet hierop ziet de Afdeling in de stelling van [appellant sub 10], dat het bosperceel in het NNB ligt en in het Natuurbeheerplan is aangemerkt als beheertype N16.03 "Droog bos met productie", geen aanleiding voor het oordeel dat de raad van de gekozen systematiek had moeten afwijken en aan het perceel de bestemming "Bos" had moeten toekennen.
Het betoog slaagt niet.
Beperking gebruik
40 Verder betoogt [appellant sub 10] dat de eerder op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied Oost" voor het bosperceel geldende bestemming "Bos en natuur" recreatief medegebruik toestond, wat door de bestemming "Natuur" beperkt wordt, omdat nog slechts extensief recreatief medegebruik is toegestaan. Volgens [appellant sub 10] had de raad de aanduiding "solitaire recreatiewoning" of "kampeerchalet" moeten opnemen om gebruik van de blokhut die op het bosperceel staat, toe te staan. [appellant sub 10] wijst op de bouwvergunning die op 4 mei 2004 is verleend, de brief van de gemeente van 17 oktober 2005 over de realisatie van een rioolaansluiting op het bosperceel en op het e-mailbericht van de gemeente van 21 november 2018 over het aanbrengen van halfverharding op de Verlengde Zandstraat en de ingang van het bosperceel en de vergunningaanvraag hiervoor van 3 juli 2018. Ook wijst [appellant sub 10] op de inschrijving in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen, waarbij een huisnummer en postcode aan het bosperceel is toegekend, en naar het "Taxatieverslag Woningen" voor de WOZ-aanslag voor het bosperceel, waarin van het woningtype "recreatiewoning" is uitgegaan.
40.1 Onder het vorige bestemmingsplan "Buitengebied Oost" was aan de gronden van het bosperceel de bestemming "Bos en Natuur" toegekend. Artikel 5 van dat bestemmingsplan bevat regels voor die bestemming.
Op grond van artikel 5.1, aanhef en onder e, van de regels van het plan "Buitengebied Oost" zijn de op de kaart voor "Bos en natuur" aangewezen gronden bestemd voor recreatief medegebruik met bijbehorende voorzieningen.
Op grond van artikel 5.2.4 van die planregels zijn op of nabij de aanduiding "recreatiewoning" op de kaart de gronden bestemd tot recreatiewoning met bijbehorende voorzieningen.
Op grond van artikel 5.4.1 van die planregels geldt een aanlegvergunningplicht voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden die in het schema onder 5.4.4 zijn opgenomen, zoals het verwijderen van houtopstanden, het diepploegen, diepwoelen, graven, ophogen en egaliseren van de bodem, het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en het aanbrengen van ondergrondse leidingen.
40.2 Recreatief medegebruik is niet gedefinieerd in het bestemmingsplan "Buitengebied Oost". Volgens de brief van het college van 16 juli 2021 zijn gronden met de bestemming "Bos en natuur" bestemd voor recreatief medegebruik, waarmee recreatief gebruik met respect voor de natuur is bedoeld. Het gebruik is ondergeschikt aan of in samenhang met de hoofdfunctie op de locatie.
40.3 In het plan zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden op grond van artikel 11.1, aanhef en n, van de planregels bestemd voor extensief recreatief medegebruik. Dit heeft op grond van artikel 1.57 van de planregels betrekking op vormen van natuurvriendelijke recreatie die in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, waarbij het aantal recreanten per hectare beperkt is, zoals wandelen, fietsen, picknicken, kanoën, survivaltochten en natuurgerichte recreatie zoals vogelobservatie.
40.4 De Afdeling ziet, gelet op artikel 11.1, aanhef en onder n, gelezen in samenhang met artikel 1.57 van de planregels, niet in dat het gebruik van de gronden van het bosperceel binnen de bestemming "Natuur" in het plan is beperkt. Uit het betoog van [appellant sub 10] volgt ook niet welk recreatief gebruik is beperkt onder het plan.
40.5 Voor zover [appellant sub 10] betoogt dat onder het vorige bestemmingsplan "Buitengebied Oost" een recreatiewoning was toegestaan op het bosperceel en dat de raad dit daarom ook onder dit plan zou moeten toestaan, volgt de Afdeling dit niet. Onder het vorige plan was geen recreatiewoning toegestaan. Niet is gebleken dat op de verbeelding van dat plan bij het bosperceel de aanduiding "recreatiewoning" is toegekend. Verder stelt de Afdeling vast dat de in het besluit van 4 mei 2004 verleende bouwvergunning niet voor het oprichten van een recreatiewoning op het perceel is verleend, maar voor het plaatsen van een erfafscheiding, een "verblijfplaats groot onderhoud" en een voederplaats op het bosperceel. Daarbij is een aanlegvergunning voor het aanleggen van een stroomvoorziening op het bosperceel verleend.
40.6 Uit de brief over de rioolaansluiting volgt dat de gemeente een riolering op het bosperceel heeft aangelegd om drie panden aan de Verlengde Zandstraat te voorzien van riolering. In het door [appellant sub 10] overgelegde e-mailbericht van 21 november 2018 heeft de gemeente aangekondigd dat de puinverharding aan de Verlengde Zandstraat en bij het bosperceel wordt vervangen door grasbetonstenen.
40.7 De raad heeft op de zitting toegelicht dat de vergunningen zijn verleend en voorzieningen zijn toegestaan voor het gebruik overeenkomstig de bestemming. Zoals volgt uit de artikelen 11.4.1 en 11.4.4 van de planregels is het aanbrengen van ondergrondse leidingen of realiseren van oppervlakteverhardingen toegestaan binnen de bestemming "Natuur" met een vergunning. Gelet op de hiervoor vermelde artikelen 5.4.1 en 5.4.4 van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Oost", gold dit ook onder dat bestemmingsplan.
40.8 Zoals de raad op de zitting heeft opgemerkt, is voor de toekenning van een huisnummer en postcode het feitelijk gebruik leidend. Dit geldt ook voor het "Taxatieverslag Woningen". Daaruit kan evenmin worden afgeleid dat een recreatiewoning op het bosperceel planologisch is of was toegestaan.
40.9 Anders dan [appellant sub 10] kennelijk veronderstelt, volgt dus uit geen van de door [appellant sub 10] ingediende stukken of uitgevoerde werken dat het bevoegd gezag een vergunning heeft verleend voor het bouwen van een recreatiewoning op het bosperceel of dat het gebruik van een recreatiewoning op het bosperceel was toegestaan in afwijking van de geldende bestemming. Omdat het plan een conserverend karakter heeft en van een concreet voornemen voor het oprichten van een recreatiewoning met een deugdelijke ruimtelijke onderbouwing geen sprake is, kon de raad redelijkerwijs afzien van het opnemen van een aanduiding voor een recreatiewoning.
Het betoog slaagt niet.
Positief bestemmen bestaande gebouwen, bouwwerken, voorzieningen
41 [appellant sub 10] betoogt ook dat de raad alle bestaande gebouwen, bouwwerken en voorzieningen in het plan had moeten opnemen en een bouwvlak hiervoor had moeten opnemen.
41.1 De raad merkt op dat de "verblijfplaats groot onderhoud", waarvoor op 4 mei 2004 vergunning is verleend, een kleinschalig bouwwerk van 18,4 m² is voor het beheer en onderhoud van het bos op de locatie. Voor dergelijke kleinschalige bebouwing ten dienste van de bestemming wordt volgens de raad geen bouwvlak toegekend. Dit is volgens de raad ook niet nodig. De planregels staan deze toe.
41.2 Op grond van artikel 11.1 van de planregels zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden ook bestemd voor bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals erven, paden, water, groen en de daarbij behorende bouwwerken.
Op grond van artikel 11.2.1, aanhef en onder a en b, van de planregels, mogen op de voor "Natuur" aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving bedoelde bestemmingen worden gebouwd met dien verstande dat enkel kleinschalige bebouwing met een maximale oppervlakte van 90 m² en bouwwerken ten dienste van de natuurfunctie of het recreatieve medegebruik daarvan zijn toegestaan, voor zover dit geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB.
41.3 Gelet op deze bepalingen volgt de Afdeling het standpunt van de raad dat op het bosperceel van ruim 31.000 m² geen bouwvlak nodig is voor de vergunde "verblijfplaats groot onderhoud". Daarbij is van belang dat dit bouwwerk, zoals de raad onweersproken heeft gesteld, kleinschalige bebouwing is van 18,4 m². Naar het oordeel van de Afdeling valt dit onder het bereik van artikel 11.1 van de planregels. Dit geldt ook voor de vergunde erfafscheiding, voederplaats, stroomvoorziening en aangebrachte halfverharding.
Het betoog slaagt niet.
Het beroep van De Bergse Hoeve
42 De Bergse Hoeve exploiteert sinds 1977 een camping aan de Bergsebaan 44 in Bergen op Zoom, kadastraal bekend sectie L nummer 272 (L 272 of campingterrein). De Bergse Hoeve is daarnaast eigenaar van de kadastrale percelen sectie L nummers 273, 274 en 253.
43 De Bergse Hoeve betoogt dat de functieaanduiding voor de recreatieve en centrale voorzieningen van de camping ten onrechte op het aangrenzende perceel kadastraal bekend sectie L nummer 269 (L 269) ligt. De Bergse Hoeve stelt dat perceel L 269 niet tot de camping behoort, maar in eigendom is van de buurman. Op de zitting heeft De Bergse Hoeve verduidelijkt dat op het perceel L 269 aan de [locatie 12] de woning en schuur van de buurman staan. De Bergse Hoeve heeft een recht van overpad op dat perceel voor het toegangspad van de camping. Verder heeft zij op de zitting verklaard dat er horeca was aan de [locatie 12], maar nu niet meer. De Bergse Hoeve merkt op dat zij al sinds het midden van de jaren ’90 pogingen doet om het campingterrein uit te breiden naar haar perceel L 253 en om de camping te moderniseren. Het lukt haar echter niet om zaken te regelen met de gemeente, in overleg met elkaar.
43.1 Aan het campingterrein is in het plan de enkelbestemming "Recreatie" met de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie-verblijfsrecreatie 2" toegekend.
Aan het aangrenzende perceel L 269 is eveneens deze enkelbestemming "Recreatie" toegekend met de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie-recreatieve en centrale voorzieningen". Verder is aan het perceel L 269 ook de enkelbestemming "Horeca" toegekend met de functieaanduiding "horeca tot en met categorie 2".
Het bouwvlak ligt op het volledige bestemmingsvlak met de bestemming "Recreatie" van beide kadastrale percelen.
43.2 Op grond van artikel 12.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn de voor "Recreatie" aangewezen gronden ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie-verblijfsrecreatie 2" bestemd voor het plaatsen van kampeermiddelen, stacaravans met bijbehorende centrale voorzieningen en één bedrijfswoning.
Op grond van artikel 12.2.1, onder b, van de planregels, geldt voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, dat gebouwen ten behoeve van centrale voorzieningen uitsluitend binnen de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie-recreatieve en centrale voorzieningen" mogen worden gesitueerd.
Uit de verbeelding van het plan volgt dat deze functieaanduiding voor recreatieve en centrale voorzieningen is toegekend aan de gronden van perceel L 269, zoals De Bergse Hoeve stelt. Deze functieaanduiding is niet toegekend aan het campingterrein (L 272).
43.3 De raad heeft in het verweerschrift over de wens het bouwvlak voor de centrale voorzieningen te verplaatsen gelet op de situatie ter plaatse (de eigendomssituatie) opgemerkt dat hij De Bergse Hoeve in een eerder stadium heeft verzocht om informatie te verschaffen waaruit blijkt dat er een kennelijke fout is gemaakt die moet worden hersteld, maar dat hij de gevraagde informatie niet heeft ontvangen. Op de zitting heeft de raad gesteld dat de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie-recreatieve en centrale voorzieningen" op de plek ligt die in 2003 is aangewezen voor de recreatieve en centrale voorzieningen. In het plan zijn de bestaande rechten voortgezet. Er was ten tijde van de vaststelling van het plan volgens de raad geen reden voor een wijziging, omdat de gevraagde en voor een wijziging benodigde informatie over de (mogelijk gewijzigde) situatie van de camping niet was verstrekt. De privaatrechtelijke situatie acht de raad niet zonder meer doorslaggevend.
43.4 De Afdeling kan dit standpunt van de raad volgen. Daarbij is van belang dat niet is gebleken dat De Bergse Hoeve voorafgaande aan de vaststelling van het plan heeft gewezen op de onjuiste functieaanduiding, ook niet in haar zienswijze van 8 juli 2020 op het ontwerpplan. De raad kon het plan in zoverre daarom vaststellen zoals hij heeft gedaan.
Het betoog slaagt niet.
43.5 Ten overvloede merkt de Afdeling op dat de raad op de zitting te kennen heeft gegeven de als bijlage 10 bij het beroepschrift gevoegde plankaart met de twee gewenste locaties voor de centrale voorzieningen als aanknopingspunt voor verdere besprekingen te zien. Of de verwezenlijking van dit plan ruimtelijk aanvaardbaar is, zal in een afzonderlijke procedure moeten worden beoordeeld.
44 De Bergse Hoeve betoogt verder dat onder het bestemmingsplan "Buitengebied Oost" alleen onderscheid werd gemaakt tussen een "kampeermiddel" en een "stacaravan" en dat beide waren toegestaan op het campingterrein. Daaraan werd later, bij de eerste en tweede herziening van dat bestemmingsplan, "kampeerchalet" toegevoegd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP6383, volgt volgens De Bergse Hoeve echter dat alleen de uiterlijke verschijningsvorm van een stacaravan en kampeerchalet, waarvoor op grond van de planvoorschriften dezelfde afmetingen gelden, van elkaar verschillen, maar het toegestane gebruik van de gronden niet. Hieruit leidt De Bergse Hoeve af dat onder het vorige bestemmingsplan ook kampeerchalets waren toegestaan op het campingterrein.
Zoals de definities nu luiden, lijkt het er volgens De Bergse Hoeve op dat geen (kampeer)chalets meer zijn toegestaan op het campingterrein. In de planregels wordt namelijk een onderscheid gemaakt tussen een "kampeermiddel", "stacaravan", "chalet", "kampeerchalet" en "recreatiewoning". Dit onderscheid is volgens De Bergse Hoeve onduidelijk en onlogisch, omdat er geen ruimtelijk relevant verschil is tussen een stacaravan en een chalet, noch tussen een chalet en kampeerchalet. Die onduidelijkheid leidt volgens De Bergse Hoeve tot rechtsonzekerheid.
44.1 Op het campingterrein zijn op grond van de artikelen 12.1, aanhef en onder b, 12.2.1, onder b, van de planregels, gelezen in samenhang met de "Staat van recreatieve voorzieningen", kampeermiddelen en stacaravans toegestaan. Recreatiewoningen zijn niet toegestaan op het campingterrein.
Op grond van artikel 1.135 van de planregels wordt onder "Stacaravan" verstaan, een gebouw voor recreatief nachtverblijf, in de vorm van een caravan.
Op grond van artikel 1.85 van de planregels wordt onder "Kampeermiddel" verstaan, een tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of enig ander onderkomen of verblijf, geen bouwwerk zijnde, dat geschikt is voor tijdelijk recreatief nachtverblijf.
Op grond van artikel 1.48 van de planregels wordt onder "Chalet" verstaan een gebouw, geen stacaravan of recreatiewoning zijnde, al dan niet met vaste fundering, dat dient als recreatief verblijf, waarvan de gebruikers hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben.
Op grond van artikel 1.84 van de planregels wordt onder "Kampeerchalet" verstaan, een eenvoudig gebouw met een beperkte inhoud en oppervlakte waarvan de muren niet uit steen, beton of vergelijkbare materialen bestaan dat is bestemd voor recreatief nachtverblijf voor personen die hun hoofdverblijf elders hebben;
Op grond van artikel 1.124 van de planregels wordt onder "Recreatiewoning" verstaan, een woning of enig ander bouwwerk, dat blijkens de inrichting geschikt is voor tijdelijk recreatief nachtverblijf voor gebruikers die hun hoofdverblijf elders hebben.
44.2 In het verweerschrift heeft de raad gesteld dat een chalet bestemd is om duurzaam met de grond verenigd te zijn en dat dit in de basis niet geldt voor een stacaravan.
Op de zitting is op basis van de begripsomschrijvingen in de planregels van "Chalet" en "Stacaravan", aan de hand van een aantal afbeeldingen gebleken dat het verschil tussen beide onduidelijk is. Beide zijn gebouwen op grond van de planregels. Volgens de begripsomschrijving van "Stacaravan" is hiervan sprake als deze de vorm heeft van een caravan. De definitie van "caravan" ontbreekt echter in de planregels. Daardoor is het onduidelijk wanneer sprake is van een "stacaravan", zoals de raad ook op de zitting heeft erkend. Zoals De Bergse Hoeve aanvoert, leidt dit tot rechtsonzekerheid. De raad heeft op de zitting ook verklaard dat het niet logisch lijkt dat een stacaravan als gebouw is gedefinieerd en dat de begripsbepalingen inderdaad moeten worden aangescherpt.
Het betoog slaagt.
44.3 De Afdeling komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van wat De Bergse Hoeve verder nog heeft aangevoerd.
Het beroep van [appellant sub 8]
45 [appellant sub 8] betoogt dat de woning op het perceel [locatie 13] in Bergen op Zoom ten onrechte niet als woning is bestemd in het plan en dat de raad ten onrechte de bestemming "Natuur" aan het perceel heeft toegekend. Zij voert aan dat zij op deze locatie woont, dat de woning is voorzien van nutsvoorzieningen en een huisnummer, dat de gemeente lange tijd de indruk heeft gewekt dat de woning als zodanig zou worden bestemd en dat zij daarom hoge kosten voor de woning heeft gemaakt. [appellant sub 8] stelt dat de woning 22 jaar geleden met toestemming van de gemeente door haar ouders is gebouwd. Haar vader is in 2011 en haar moeder in 2013 overleden. [appellant sub 8] wijst op de brief van 12 september 2013 van de teammanager Ruimtelijke ordening & Vergunningen van de gemeente, de verklaring van 30 september 2025 van [persoon A], een voormalig raadslid en wethouder, en de verklaring van 1 oktober 2025 van de bewoner van de [locatie 14] in Bergen op Zoom. Voordat de woning was gebouwd, stond volgens [appellant sub 8] op dezelfde plek gedurende 15 jaar een caravan. [appellant sub 8] merkt verder op dat haar bewoning van het perceel de veiligheid van twee naastgelegen woningen dient. Op de zitting heeft [appellant sub 8] opgemerkt dat zij tenminste wil bereiken dat de woning als een recreatiewoning wordt toegestaan op het perceel.
45.1 De gronden van het perceel zijn bestemd voor "Natuur". De raad heeft in de "Nota van Commentaar" opgemerkt dat de woning aan de [locatie 13] in het verleden werd bewoond met een persoonsgebonden gedoogbeschikking en dat deze beschikking is komen te vervallen met het overlijden van de bewoners. Er is volgens de raad dus geen bestaand recht op bewoning, ook niet als recreatiewoning. De raad acht legalisatie in strijd met artikel 3.18, eerste lid, van de IOV, vanwege de ligging van het perceel in het NNB.
45.2 Artikel 3.18 van de IOV heeft betrekking op nieuwe ontwikkelingen in het NNB.
Op grond van het eerste lid van deze bepaling kan een bestemmingsplan bepalen dat het oprichten van kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurfunctie of het recreatieve medegebruik daarvan zijn toegestaan, als dit geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB.
45.3 Niet in geschil is dat de persoonsgebonden gedoogbeschikking is vervallen en dat de woning in het NNB staat. Met het verlenen van een persoonlijke gedoogbeschikking was het naar het oordeel van de Afdeling destijds voor iedereen al duidelijk dat de gemeente niet wilde meewerken aan een blijvende woonbestemming op die plek. De raad heeft deugdelijk gemotiveerd waarom geen bewoning aan de [locatie 13] is toegestaan. Dat een huisnummer is toegekend, nutsvoorzieningen zijn aangelegd en dat [appellant sub 8], naar zij stelt, kosten heeft gemaakt, maakt niet dat de raad daarom alsnog bewoning van de woning zou moeten toestaan.
45.4 Verder acht de Afdeling het standpunt van de raad dat hij ook geen recreatiewoning wil legaliseren, gelet op de ligging in het NNB en artikel 3.18, eerste en derde lid, van de IOV niet onredelijk. [appellant sub 8] heeft geen actuele, deugdelijke ruimtelijke onderbouwing aangeleverd op grond waarvan zou kunnen worden beoordeeld of met het bestemmen van een recreatiewoning op die plek wel aan de vereisten van artikel 3.18 van de IOV zou kunnen worden voldaan.
Schending van het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel
45.5 Het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel, onder meer door te verwijzen naar 30 recreatiewoningen die in het plan zijn toegestaan, heeft [appellant sub 8] niet in het beroepschrift maar pas op de zitting aangevoerd. Omdat dit niet tijdig is aangevoerd en van de raad niet kan worden verlangd dat hij hierop adequaat reageert op de zitting, dient dit punt in deze procedure buiten beschouwing te blijven.
45.6 Uit het beroepschrift en de nadere stukken leidt de Afdeling af dat [appellant sub 8] ook een beroep doet op schending van het vertrouwensbeginsel. Op de zitting is dit bevestigd. Wie zich hierop beroept moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.
45.7 De brief van 12 september 2013 van de teamleider is gericht aan de [persoon B]. Hierin is vermeld dat de planologische situatie van de woning aan de [locatie 13] nog onveranderd is en dat bij de herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied Oost", dat naar verwachting in de loop van 2014 in procedure komt, aan het college van burgemeester en wethouders zal worden voorgesteld om de woning te bestemmen als recreatiewoning. Daarbij is opgemerkt: "Bij het bovenstaande merk ik nadrukkelijk op dat het opnemen van die bestemming nog niet betekent dat het dan definitief geregeld is. Het college biedt de gemeenteraad het bestemmingsplan ter vaststelling aan. Dus het is uiteindelijk de gemeenteraad die op gemeentelijk niveau het laatste woord heeft. Vervolgens moet het door de raad vastgestelde bestemmingsplan ter goedkeuring worden aangeboden aan Gedeputeerde Staten (GS) van Noord Brabant. Het is geen vanzelfsprekendheid dat GS een bestemmingsplan ongewijzigd goedkeurt."
45.8 [persoon A], voormalig raadslid en wethouder van de gemeente Bergen op Zoom in de periodes van januari 1997 tot juli 1998 en van mei 2006 tot september 2015, heeft ten overstaan van de gemachtigde van [appellant sub 8] de verklaring van 30 september 2025 afgelegd. [persoon A] verklaart dat voor 1997 politieke bereidheid bestond tot legalisatie, toen de locatie nog onder de gemeente Woensdrecht viel. Vanaf 1 januari 1997 behoorde de locatie tot de gemeente Bergen op Zoom. Volgens zijn verklaring bestond toen ook ambtelijke en bestuurlijke bereidheid tot legalisatie en vond dit in vergelijkbare dossiers ook daadwerkelijk plaats, maar bestond ook rechtsongelijkheid. Het dossier van [appellant sub 8] bleef volgens [persoon A] onopgelost door bureaucratie en externe invloeden. [persoon A] stelt dat hij destijds wel heeft kunnen regelen dat de familie [appellant sub 8] op het perceel mocht blijven wonen. [persoon A] betreurt dat het dossier in een periode van 18 jaar nooit definitief is opgelost.
45.9 Uit de verklaring van de bewoner van de [locatie 14] in Bergen op Zoom volgt dat zij geen bezwaar zou hebben tegen een wijziging van de bestemming van het perceel aan de [locatie 13]. Zij stelt dat de procedure hiervoor onnodig lang heeft geduurd en dat de familie al geruime tijd in onzekerheid verkeert. Zij acht het wenselijk dat de wijziging zo spoedig mogelijk wordt doorgevoerd zodat de situatie eindelijk kan worden opgelost.
45.10 Uit deze stukken leidt de Afdeling af dat de situatie een lange voorgeschiedenis heeft en dat [appellant sub 8] en haar ouders lange tijd in onzekerheid hebben verkeerd over mogelijke legalisatie van de situatie.
In de brief van 12 september 2013 heeft [persoon B], de vader van [appellant sub 8], bericht dat naar verwachting een voorstel aan het college zou worden gedaan over legalisering als recreatiewoning, dat de raad het besluit hierover moest nemen en dat goedkeuring van GS nodig was. Daarbij heeft de teamleider van de gemeente de onzekere uitkomst van deze stappen benadrukt.
Uit de verklaring van [persoon A] volgt niet dat de ambtelijke en bestuurlijke bereidheid om de situatie te legaliseren tot concrete toezeggingen, uitlatingen, of gedragingen in de door [appellant sub 8] bedoelde zin heeft geleid. Wel heeft [persoon A] volgens zijn verklaring geregeld dat de familie [appellant sub 8] daar kon blijven wonen. Dit sluit aan op de stelling van de gemeente dat een persoonsgebonden beschikking was verleend.
Aan de verklaring van de bewoner van de [locatie 14] kan niet het door [appellant sub 8] gewenste gewicht worden toegekend.
De Afdeling concludeert dat uit deze stukken niet volgt dat toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit [appellant sub 8] redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de raad de woning als recreatiewoning zou bestemmen. De Afdeling komt daarom bij de beoordeling of het vertrouwensbeginsel is geschonden, niet toe aan de stappen 2 en 3 zoals bedoeld in de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, onder 11.
Het beroep op schending van het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
Overgangsrecht
45.11 Voor zover [appellant sub 8] een beroep doet op het overgangsrecht voor bouwen en/of gebruiken met de stelling dat de woning 22 jaar geleden is gebouwd en dat daarvoor al 15 jaar een caravan stond, heeft zij dit niet aannemelijk gemaakt.
45.12 Het betoog slaagt niet.
Het beroep van [appellant sub 12]
46 [appellant sub 12] is eigenaar van enkele percelen aan de Vredenburg (sectie B, nummers 2110, 2111, 2116) en de Ruytershoveweg in Bergen op Zoom (sectie C, nummers 3843 en 4402), waar hij een akkerbouwbedrijf uitoefent. De percelen aan de Vredenburg liggen aan weerszijden van deze weg. Op deze percelen is een gekoppeld bouwvlak opgenomen. De percelen van [appellant sub 12] aan de Ruytershoveweg hebben geen bouwvlak.
47 Aan deze percelen is in het plan, voor zover relevant, de enkelbestemming "Agrarisch met waarden-Natuur en landschap" toegekend. Voor perceel 4402 geldt de bestemming "Natuur". Daarnaast geldt voor de percelen aan de Vredenburg de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 1". Voor de percelen aan de Ruytershoveweg gelden daarnaast de dubbelbestemmingen "Waarde-Archeologie 2", "Waarde-Attentiezone waterhuishouding" en "Waarde-Cultuurhistorie".
48 [appellant sub 12] betoogt dat het plan moet worden vernietigd omdat geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd.
48.1 De raad stelt dat hij er niet voor heeft gekozen om opnieuw een voorontwerp ter inzage te leggen, vanwege de lange voorgeschiedenis en omdat dit vooral voor de overlegpartners is, terwijl zij al eerder bij de totstandkoming waren betrokken. De raad stelt dat hij ook niet gehouden was tot deze terinzagelegging, omdat dit geen deel uitmaakt van de procedure op grond van de Wro.
48.2 De Afdeling volgt dit standpunt van de raad. De raad heeft het besluit van 30 september 2021 voorbereid met de procedure van afdeling 3.4 van de Awb. Deze is aangevangen met de terinzagelegging van het ontwerpplan vanaf 4 juni 2020. Dat de raad geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegd voorafgaand aan deze procedure geeft geen aanleiding tot vernietiging van het plan, omdat die terinzagelegging geen deel uitmaakt van de bestemmingsplanprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Niet is gebleken dat een andere inspraakprocedure als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Inspraakverordening Bergen op Zoom 2004 is vastgesteld.
49 [appellant sub 12] betoogt ook dat het plan moet worden vernietigd omdat de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan onjuist is. Daarin is namelijk vermeld dat een inspraakreactie mogelijk is, terwijl feitelijk de mogelijkheid werd geboden om zienswijzen op het ontwerpplan in te dienen.
[appellant sub 12] betoogt ook dat er nooit een persoonlijk gesprek met hem heeft plaatsgevonden over het plan, terwijl artikel 3:2 van de Awb hiertoe verplicht.
49.1 In de publicatie van het ontwerpplan heeft de raad onder het kopje "Reageren" bekendgemaakt dat gedurende de periode van zes weken dat het ontwerpplan ter inzage ligt, schriftelijke reacties kunnen worden ingezonden aan het college of mondeling kan worden gereageerd, waarbij een contactpersoon is vermeld. Daarnaast is opgenomen dat degene die een mondelinge reactie wenst in te brengen, wordt uitgenodigd voor een gesprek om de zienswijze weer te geven. Verder is vermeld dat ingediende zienswijzen worden betrokken bij het bestemmingsplan. Hiermee heeft de raad duidelijk gemaakt dat, en op welke wijze, zienswijzen kunnen worden ingediend. Dat ook het woord "inspraakreactie" éénmalig in de publicatie is vermeld, is geen reden om het plan te vernietigen.
49.2 In de enkele omstandigheid dat de raad geen persoonlijk gesprek met [appellant sub 12] heeft gevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.
Het betoog slaagt niet.
50 [appellant sub 12] betoogt dat de raad ten onrechte aan zijn gronden de enkelbestemming "Agrarisch met waarden-Natuur en landschap" heeft toegekend. Deze bestemming belemmert zijn agrarische bedrijfsvoering ernstig. Zo kan hij op de gronden aan de Ruytershoveweg voor zijn aardbeienteelt geen koel- en opslagruimte bouwen; hij wenst een enkele agrarische bestemming. Volgens [appellant sub 12] is in eerdere procedures al gebleken dat natuur- en landschapswaarden op zijn gronden ontbreken en dat op nabijgelegen gronden 10 hectare industriezone met een bouwvlak van 80% en een toegestane bouwhoogte van 20 meter is voorzien. Dit strookt volgens hem niet met het vastgestelde planologisch regime met natuurwaarden op zijn gronden.
De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174
- ABRvS 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1278
- Rb. Zeeland-West-Brabant 20 januari 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:227
- ABRvS 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1013
- ABRvS 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4448
- ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694
- ABRvS 26 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2694
- ABRvS 2 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP6383
- ABRvS 19 januari 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS3172