ABRvS 27 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3027
Bij besluit van 21 juni 2022 heeft de algemene raad het verzoek van [appellant] om vrijstelling van de praktijkeisen bedoeld in artikel 4.14, tweede lid, van de Verordening op de advocatuur (Voda), afgewezen. [appellant] is advocaat bij Bird & Bird, en heeft op 19 juni 2019 de onvoorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ gekregen. Bij brief van 5 mei 2022 heeft [appellant] de algemene raad verzocht om een vrijstelling van de praktijkeisen bedoeld in artikel 4.14, eerste lid, van de Voda, inhoudende de verplichting om in drie jaar ten minste twaalf cassatiezaken te behandelen waarvan er ten minste zes hebben geleid tot een beoordeling door de Hoge Raad. Bij besluit van 21 juni 2022 heeft de algemene raad dat verzoek afgewezen, omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Daartegen hebben [appellant] en Bird & Bird bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18 november 2022 heeft de algemene raad het besluit van 21 juni 2022 ingetrokken, en het verzoek van [appellant] primair afgewezen omdat zij het verzoek had ingediend na het verstrijken van de termijn als bedoeld in artikel 4.14, derde lid, van de Voda en subsidiair, zoals was neergelegd in het besluit van 21 juni 2022, omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl