ABRvS 6 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2587

Bij besluit van 10 januari 2024 heeft de Dienst Toeslagen de huurtoeslag van [appellant] over het berekeningsjaar 2021 herzien en definitief vastgesteld op nihil, waarbij het betaalde voorschot van € 3.924,00 (inclusief € 225,00 aan rente) is teruggevorderd. [appellant] heeft over 2021 een bedrag van € 3.699,00 aan voorschotten huurtoeslag ontvangen. Deze voorschotten zijn toegekend op basis van een geschat jaarinkomen van € 0,00. De Dienst Toeslagen heeft vervolgens een melding uit de Basisregistratie Inkomen (BRI) gekregen dat [appellant] over 2021 een rendementsgrondslag had van € 51.281,00. [appellant] heeft in 2019 een uitkering ontvangen uit een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Een deel van deze uitkering betreft een schadevergoeding voor advocaatkosten. De uitkering zou oorspronkelijk periodiek worden uitbetaald in de vorm van inkomen in box 1 van 2014 tot en met maart 2020, maar is voor de terugliggende periode in één keer uitbetaald en daardoor door de Dienst Toeslagen aangemerkt als vermogen in box 3. Omdat daardoor het vermogen van [appellant] op 1 januari 2021 de vermogensgrens van € 31.340.00 overschreed, heeft de Dienst Toeslagen het recht op huurtoeslag over 2021 definitief vastgesteld op nihil. De betaalde voorschotten van € 3.924,00 (inclusief € 225,00 aan rente) zijn teruggevorderd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen