ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2404
Bij besluit van 30 mei 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht een aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellante] woont samen met haar beide minderjarige kinderen in een huurwoning in Dordrecht. Zij heeft bij het college een aanvraag om een urgentieverklaring om medische redenen ingediend. Zij stelt dat haar woning ongeschikt is, omdat haar oudste zoon, aan wie zij mantelzorg geeft, afhankelijk is van zorg uit Barendrecht en daar ook naar school gaat. Gezien haar gezondheidsproblemen heeft zij moeite met het halen en brengen van haar zoon. In het besluit van 7 augustus 2024 heeft het college de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd onder verwijzing naar artikel 2.3, tweede lid, aanhef en onder h, van Bijlage 1 bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 (de Verordening). Volgens die bepaling kan het college de urgentieverklaring weigeren, indien de aanvrager niet economisch of maatschappelijk is gebonden aan de woningmarktregio, de gemeente of een deel van de gemeente als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Huisvestingswet 2014.
De uitspraak op rechtspraak.nl