ABRvS 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2076
Bij besluit van 28 juli 2022 heeft het college van gedeputeerde staten van Drenthe de aanvraag van [appellante] voor een vergunning op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb) afgewezen. [appellante] exploiteert een melkveehouderij aan de [locatie] in Tiendeveen. Op 18 mei 1982 is een Hinderwetvergunning voor de oprichting van de rundveehouderij verleend. Op 28 oktober 1996 is een milieuvergunning verleend voor het houden van 2 schapen, 80 stuks vrouwelijk jongvee, 26 vleesstieren en 110 melk- en kalfkoeien, met een totale emissie van 1.974,2 kg NH3 per jaar. Vervolgens is op 27 maart 2008 een milieuvergunning verleend, voor het houden van 302 melk- en kalfkoeien en 188 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar, met een totale emissie van 4.556,90 kg NH3 per jaar. [appellante] heeft op 21 december 2021 de oorspronkelijke aanvraag voor een natuurvergunning aangepast en aangevuld. De aangepaste aanvraag heeft betrekking op het houden van 440 melk- en kalfkoeien en 189 stuks jongvee, met een totale emissie van 4.432,05 kg NH3 per jaar. Deze aanvraag leidt volgens [appellante] niet tot een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de milieuvergunning van 27 maart 2008. De referentiesituatie kan volgens [appellante] aan die milieuvergunning worden ontleend, omdat die milieuvergunning is getoetst aan artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. De milieuvergunning is daarom een besluit als bedoeld in artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb.
De uitspraak op rechtspraak.nl