ABRvS 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1739

Bij besluit van 11 oktober 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Appellant heeft de Turkse nationaliteit. Hij was vóór de mislukte couppoging van 15 juli 2016, waarvoor de Turkse autoriteiten de Gülenbeweging verantwoordelijk houden, in Turkije actief voor die beweging. Om die reden is hij in 2019 gearresteerd en strafrechtelijk vervolgd. Appellant is in 2021 vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Nadat appellant had vernomen dat tijdens een verhoor van een vriend door de Turkse autoriteiten zijn naam ter sprake was gekomen, heeft hij in mei 2023 Turkije verlaten en op 18 mei 2023 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij vreest dat hij bij terugkeer naar Turkije opnieuw zal worden gearresteerd en strafrechtelijk zal worden vervolgd. Tijdens zijn verblijf in Nederland is appellant erachter gekomen dat ook tijdens het verhoor van een andere vriend zijn naam is genoemd. De minister heeft geloofwaardig geacht dat appellant in Turkije strafrechtelijk is vervolgd wegens zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Appellant valt daarmee onder de groep "(toegedichte) Gülenaanhangers" waarvoor een risicoprofiel geldt. De minister heeft zich echter op het standpunt gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije opnieuw zal worden vervolgd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken