ABRvS 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1082
Bij besluiten van 8 januari 2019 en 28 juli 2020 heeft de minister aan [appellant] medegedeeld dat zijn aanvragen voor een Nederlands paspoort voor zijn vijf kinderen niet in behandeling zijn genomen. Op 4 januari 2019 heeft [appellant] met zijn echtgenote [echtgenoot] aanvragen ingediend bij de Nederlandse ambassade in Ethiopië voor Nederlandse paspoorten voor hun kinderen [kind 1], [kind 2], [kind 3], [kind 4] en [kind 5], geboren in Burao, Somaliland, tussen 2002 en 2016. [appellant] is in 2002 naar Nederland gekomen en heeft in 2009 het Nederlanderschap verkregen. De minister heeft de aanvragen geweigerd. Volgens de minister kan de identiteit van de kinderen niet worden vastgesteld. Dit volgt uit artikel 2.1 van het Paspoortbesluit 2000 en artikel 36 van de Paspoortuitvoeringsregeling buitenland 2001. De minister heeft aan zijn besluit de Verklaring van Onderzoek van Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van 3 december 2019 ten grondslag gelegd. Uit deze verklaring volgt dat de geboorteaktes van [kind 1], [kind 2], [kind 3] en [kind 4] zeer wel mogelijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven.
De uitspraak op rechtspraak.nl