ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5322
Bij besluit van 2 mei 2022 heeft de raad van de orde van advocaten Gelderland aan [appellante] medegedeeld dat zij op grond van artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet voor 2022 een financiële bijdrage is verschuldigd van € 915,00. De raad stelt op grond van artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet voor haar leden elk jaar een financiële bijdrage vast. Dit doet de raad op basis van artikel 2 van de Beleidsregel financiële bijdrage arrondissement Gelderland aan de hand van het bruto-inkomen van de advocaat en een door de leden daartoe ingediende categorieverklaring. De raad stuurt elk jaar per e-mail een verzoek om die categorieverklaring binnen een bepaalde termijn in te dienen. Advocaten die geen categorieverklaring indienen worden ingedeeld in de hoogste categorie en moeten de hoogste financiële bijdrage betalen. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het bericht om een categorieverklaring in te dienen op behoorlijke wijze bekend is gemaakt door de raad. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de raad van haar de hoogste financiële bijdrage mocht vragen.
De uitspraak op rechtspraak.nl