ABRvS 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5090

Bij besluit van 3 oktober 2019 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht het verzoek van MOB en Leefmilieu van 17 juli 2019 om de vergunning van 1 mei 2019 van [vergunninghouder], verleend op grond van artikel 2.7, tweede lid, de Wet natuurbescherming, in te trekken op grond van artikel 5.4, eerste lid en onder c, en het tweede lid, van de Wnb, afgewezen. Op 1 mei 2019 is een vergunning op grond van de Wnb verleend aan [vergunninghouder] gevestigd aan de [locatie] in Westbroek. De vergunning is verleend op basis van het Programma Aanpak Stikstof. MOB en Leefmilieu hebben verzocht om intrekking op grond van artikel 5.4, eerste lid en onder c, van de Wnb, omdat volgens hen de PAS-vergunning in strijd met de wettelijke voorschriften is verleend. Ook hebben MOB en Leefmilieu verzocht om intrekking van de PAS-vergunning op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb, omdat volgens hen het bedrijf stikstofdepositie veroorzaakt op onder meer het Natura 2000-gebied "Oostelijke Vechtplassen" terwijl niet uitgesloten is dat sprake is van een (dreigende) verslechtering of significante verstoring van dat gebied.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken