ABRvS 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5080

Bij besluit van 5 januari 2022 heeft het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een aanvraag om een toevoeging voor het verlenen van gesubsidieerde rechtsbijstand aan [appellant] afgewezen. Op 15 november 2021 heeft [appellant] een aanvraag ingediend voor een toevoeging voor het maken van bezwaar tegen zijn feitelijke uitzetting op 16 november 2021. De raad heeft met toepassing van artikel 12, tweede lid, onder a, van de Wrb, gelezen in samenhang met artikel 3, aanhef en onder b, van het Brt, de aanvraag afgewezen. De raad heeft de afwijzing in bezwaar gehandhaafd. De raad heeft toegelicht dat de uitzetting van [appellant] het gevolg is van een terugkeerbesluit waartegen hij geen rechtsmiddel heeft ingezet. In de werkinstructie V010 "Vreemdelingenwet" staat, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling, dat bezwaar tegen de feitelijke uitzetting die het gevolg is van een onherroepelijk besluit alleen kans van slagen heeft, als de situatie ten tijde van de feitelijke uitzetting dusdanig verschilt van die ten tijde van het besluit dat eraan ten grondslag ligt, dat niet langer onverkort van de rechtmatigheid van de feitelijke uitzetting kan worden uitgegaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen