ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4532

Bij besluit van 10 maart 2021 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat het verzoek van [appellante] om vergoeding van schade afgewezen. [appellante] heeft in 2003 een woonark van iets meer dan 19 meter lang en iets meer dan 5 meter breed laten bouwen en in eigendom verkregen. De woonark bestaat uit een betonnen casco met een houten opbouw. Zij heeft deze woonark aan de Bergse [locatie] te Rotterdam laten leggen. De woonark ligt vast door middel van twee metalen beugels, die elk zijn bevestigd rond een meerpaal, en drijft op het water. De waterkavel, de grond daaronder en de grond aan de wal zijn eigendom van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Het Hoogheemraadschap heeft [appellante] een vergunning verleend voor het hebben en onderhouden van een woonark en twee meerpalen met ligplaats. Het Hoogheemraadschap heft precariobelasting voor de woonark. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft [appellante] een overdraagbare ligplaatsvergunning voor onbepaalde tijd verleend. Hiervoor betaalt zij maandelijks liggeld.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken