ABRvS 10 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4322
Bij besluit van 26 februari 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda een verzoek van [wederpartij] om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur gedeeltelijk toegewezen. [wederpartij] heeft verzocht om openbaarmaking van alle informatie die betrekking heeft op zijn aanvraag om een omgevingsvergunning voor de [locatie] in Breda. Met de besluiten van 26 februari 2020 en 22 oktober 2020 heeft het college verschillende stukken (gedeeltelijk) openbaar gemaakt. Het college heeft geweigerd de namen van advocaten openbaar te maken op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob (eerbieding van de persoonlijke levenssfeer). De rechtbank heeft geoordeeld dat het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in het geval van advocaten niet zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking, omdat advocaten door hun functie in de openbaarheid treden. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college verschillende documenten alsnog openbaar moet maken.
De uitspraak op rechtspraak.nl