ABRvS 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4130
Deze uitspraak gaat over de vraag of de zogeheten discretionaire bevoegdheid van artikel 14, eerste lid, van de Vw 2000 met een wijziging van het Vb 2000 uit 2019 is ingeperkt. Op grond van die bepaling is de minister bevoegd om ambtshalve en op aanvraag gebruik te maken van haar discretionaire bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen onder een andere beperking dan genoemd in artikel 3.4, eerste lid, van het Vb 2000. Die bevoegdheid was verder uitgewerkt in artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 (oud). Appellant heeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘humanitair niet-tijdelijk’ ingediend. Hij wenst een verblijfsvergunning regulier wegens zijn gestelde schrijnende omstandigheden, dan wel op grond van artikel 8 van het EVRM. Hij heeft bij zijn aanvraag een beroep gedaan op vrijstelling van de leges op grond van artikel 3.34a, aanhef en onder k, van het VV 2000. Uit die bepaling volgt dat de minister vrijstelling van leges verleent, indien een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning wegens schrijnende omstandigheden. De minister heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat appellant de leges niet heeft betaald en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de leges niet kan betalen.
De uitspraak op rechtspraak.nl