ABRvS 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258
Bij besluit van 22 november 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De vreemdeling is op 21 november 2024 vanuit Casablanca op Schiphol aangekomen. Hij heeft daar op 22 november 2024 asiel aangevraagd. De minister heeft hem vervolgens in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. De minister legt deze grensdetentie ten uitvoer in het JCS. In november 2024 kwamen ongebruikelijk veel asielzoekers op Schiphol aan. Deze ongebruikelijk hoge instroom had tot gevolg dat meer vreemdelingen dan doorgaans in het JCS werden gedetineerd. Zij zijn aan meer beperkingen onderworpen dan voor gedetineerde vreemdelingen normaal is in het JCS. Zij werden bijvoorbeeld meer uren per dag in hun cel ingesloten. De minister heeft uitgelegd dat de reden hiervoor is dat de personeelscapaciteit van het JCS niet is berekend op het aantal vreemdelingen dat daar plotseling moest worden gedetineerd. Deze uitspraak gaat over de vraag of de detentieomstandigheden in het JCS ten tijde van de uitspraak van de rechtbank de grensdetentie van vreemdelingen daar onrechtmatig maken.
De uitspraak op rechtspraak.nl