ABRvS 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2167

Bij besluit van 3 juni 2022 heeft het bestuur van de raad voor rechtsbijstand aan [appellant] een vergoeding toegekend van € 1.314,65 voor door hem verrichte werkzaamheden in een civiele procedure. [appellant] heeft rechtsbijstand verleend in een huurgeschil, waarvoor hij een toevoeging heeft aangevraagd en gekregen. Na afloop van de verleende rechtsbijstand heeft hij de vergoedingsaanvraag ingediend. Daarin heeft hij vermeld dat de zaak een procedure betreft, maar dat de procedure is beëindigd voordat er een uitspraak is gedaan of een zitting is bijgewoond en dat hij vijftien volle uren aan rechtsbijstand aan de zaak heeft besteed. De rechtbank heeft geoordeeld dat de raad terecht en op goede gronden een vergoeding op basis van een advieszaak heeft toegekend. Een datum- en tijdbepaling van een kort geding is naar het oordeel van de rechtbank geen beslissing als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Bvr, omdat geen oordeel wordt gegeven over een tussentijdse processuele verrichting of het geschil als zodanig.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen