ABRvS 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1141
Bij besluit van 30 november 2021 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellant A] en [appellant B] een boete opgelegd van € 7.875 wegens overtreding van de Arbeidstijdenwet. [appellant A] en [appellant B] zijn door de minister beboet wegens vijfendertig overtredingen van de Arbeidstijdenwet in hun voormalige onderneming. De overtredingen staan vast, maar [appellant A] en [appellant B] vinden dat de boete gematigd moet worden. De rechtbank heeft overwogen dat de minister in de door [appellant A] en [appellant B] aangevoerde omstandigheid, dat de onderneming door diverse oorzaken met verlies is verkocht, terecht geen aanleiding heeft gezien de boete te matigen. De hoogte van de boete is niet onevenredig in verhouding tot het doel van de overtreden bepalingen van de Arbeidstijdenwet. Verder is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM niet overschreden, omdat de termijn in dit geval moet worden berekend vanaf de boetekennisgeving van 21 november 2021.
De uitspraak op rechtspraak.nl