ABRvS 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1130
Bij uitspraak van 30 mei 2023 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ingediende verzoek om herziening van de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 november 2021, in zaak nr. 19/1653, afgewezen. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hadden beroep ingesteld tegen de beslissingen van de burgemeester van 29 januari 2019 en 21 maart 2019 over de afhandeling van klacht(en) en tegen de beslissing van het college van 8 mei 2018 over de verkoop van een perceel grond aan de buren van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Bij uitspraak van 3 juli 2019 heeft de rechtbank zich na vereenvoudigde behandeling kennelijk onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen, omdat ingevolge artikel 9:3 van de Awb tegen besluiten inzake behandeling van een klacht geen bezwaar of beroep open staat. Daartegen hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bij brief van 9 juli 2021 hoger beroep ingesteld bij de Afdeling, die dit op 12 juli 2021 ter verdere behandeling als verzet aan de rechtbank heeft doorgezonden. Bij uitspraak van 15 november 2021 heeft de rechtbank dit verzet niet-ontvankelijk verklaard vanwege het te laat indienen hiervan, namelijk buiten de termijn van zes weken. Op 22 juni 2022 hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vervolgens bij de rechtbank om herziening verzocht van de uitspraak van 15 november 2021. Bij uitspraak van 30 mei 2023 heeft de rechtbank dat verzoek afgewezen. Tegen deze uitspraak richt zich het hoger beroep.
De uitspraak op rechtspraak.nl