ABRvS 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:825
De minister van Buitenlandse Zaken heeft bij besluit van 14 juli 2017 [appellant] aangewezen als persoon op wie de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is. Bij besluit van 1 december 2021 heeft de minister van Buitenlandse Zaken opnieuw het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Met het aanwijzingsbesluit van 14 juli 2017 zijn alle financiële middelen van [appellant] bevroren. De minister heeft het besluit gebaseerd op een door de AIVD op 28 maart 2017 uitgebracht individueel ambtsbericht en de daaraan ten grondslag liggende geheime stukken. Op grond van artikel 8:29 van de Awb heeft alleen de Afdeling van deze stukken kennis kunnen nemen. In het ambtsbericht staat dat [appellant] betrokken is bij de door de Europese Unie als terroristisch aangemerkte organisatie Devrimci Halk Kurtuluş Partisi-Cephesi. [appellant] werft volgens de minister fondsen voor die organisatie en ondersteunt daarmee de activiteiten van de organisatie. De Afdeling heeft in de uitspraak van 14 oktober 2020 geoordeeld dat de minister het besluit van 5 april 2018 onvoldoende heeft gemotiveerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl