ABRvS 16 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3706
Bij besluit van 4 maart 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Purmerend aan [verzoeker] een last onder dwangsom opgelegd voor het in strijd met het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen 2013" bewonen van een bedrijfspand op het adres [locatie] in Purmerend. Toezichthouders hebben voor het eerst op 3 september 2019 geconstateerd dat [verzoeker] woont op de begane grond van het bedrijfspand [locatie]. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 4 maart 2022 heeft het college aan hem een last onder dwangsom opgelegd om de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. Blijkens het besluit kan [verzoeker] dit doen door het beëindigen en beëindigd houden van het gebruik van de begane grond van het pand [locatie] voor bewoning. Hij is ook gelast de met bewoning verband houdende huisraad en woonvoorzieningen op de begane grond van het pand [locatie] te verwijderen en verwijderd te houden. [verzoeker] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college moet afzien van handhavend optreden. Daartoe voert hij aan dat handhavend optreden onevenredig is.
De uitspraak op rechtspraak.nl