ABRvS 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3661
Bij besluit van 9 juli 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
202405368/1/V2 en 202405368/2/V2.
Datum uitspraak: 11 september 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 19 augustus 2024 in zaak nr. NL24.27959 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 9 juli 2024 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 19 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.P.M. Ngasirin, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1 Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 5.1, 5.2 en 6.1, van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1 Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2 Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier.
w.g. Schipper-Spanninga
voorzieningenrechter
w.g. Toonen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2024
979
Aangehaalde artikelen
Aangehaald in
- Rb. Den Haag 2 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:4181
- Rb. Den Haag 31 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:20400
- Rb. Den Haag 22 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9514
- Rb. Den Haag 21 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:673
- Rb. Den Haag 24 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23362
- Rb. Den Haag 19 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:15637
- Rb. Den Haag 10 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:8780
- Rb. Den Haag 17 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7235
- Rb. Den Haag 27 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7216
- Rb. Den Haag 9 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:4753
- Rb. Den Haag 6 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:4748
- Rb. Den Haag 17 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3094
- Rb. Den Haag 13 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:2983
- Rb. Den Haag 5 oktober 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29706
- Rb. Den Haag 15 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:27817
- Rb. Den Haag 7 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:25065
- Rb. Den Haag 26 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:25046
- Rb. Den Haag 20 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:23824
- Rb. Den Haag 16 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:23208
- Rb. Den Haag 14 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:22806