ABRvS 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3580

Bij brief van 2 maart 2022 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellant] laten weten dat hij moet inburgeren. [appellant] heeft de Turkse nationaliteit. Op 5 november 2021 heeft de toenmalige staatssecretaris van Justitie en Veiligheid besloten hem een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen voor verblijf bij zijn echtgenote. Op 2 december 2021 heeft [appellant] de mvv afgehaald bij de Nederlandse vertegenwoordiging in Istanbul. Hij heeft vervolgens op 17 januari 2022 zijn verblijfsvergunning in Nederland opgehaald. Volgens de staatssecretaris is [appellant] inburgeringsplichtig, omdat hij zijn verblijfsvergunning na 31 december 2021 heeft opgehaald. De staatssecretaris heeft [appellant] daarom de brief van 2 maart 2022 gestuurd om hem te laten weten dat hij moet inburgeren. In de brief van 4 juli 2022 staat dat zijn inburgeringstermijn op 10 mei 2022 is gestart en dat hij tot en met 9 mei 2025 de tijd heeft om in te burgeren. [appellant] is het er niet mee eens dat hij inburgeringsplichtig is, omdat Turkse staatsburgers die vóór 31 december 2021 rechtmatig verblijf in Nederland hebben gekregen, niet inburgeringsplichtig zijn.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen