ABRvS 5 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3158
Bij besluit van 11 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 2 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.K. Westerhof, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
202404187/1/V2.
Datum uitspraak: 5 augustus 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 2 juli 2024 in zaak nr. NL24.24218 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 11 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 2 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.K. Westerhof, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1 Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de
Vw 2000).
1.1 Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 23 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4348, onder 2.1, over de motivering van het voornemen van de staatssecretaris in een Dublinprocedure). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2 Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Iedema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2024
984
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
Aangehaald in
- Rb. Den Haag 18 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:18502
- Rb. Den Haag 20 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:19482
- Rb. Den Haag 9 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:20270
- Rb. Den Haag 10 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:20040
- Rb. Den Haag 23 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9399
- Rb. Den Haag 15 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9191
- Rb. Den Haag 29 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:8999
- Rb. Den Haag 26 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7744
- Rb. Den Haag 16 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6288
- Rb. Den Haag 14 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6230
- Rb. Den Haag 21 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:4134
- Rb. Den Haag 7 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:18655
- Rb. Den Haag 18 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:22829
- Rb. Den Haag 18 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:22826
- Rb. Den Haag 11 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:21398
- Rb. Den Haag 15 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:21326
- Rb. Den Haag 21 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:21262
- Rb. Den Haag 11 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:21193
- Rb. Den Haag 2 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:21018
- Rb. Den Haag 28 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17536