ABRvS 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2886
Bij brief van 19 januari 2021 heeft de Algemene Raad van de Nederlandse orde van advocaten aan [appellant] medegedeeld dat hij op grond van artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet voor 2021 een financiële bijdrage is verschuldigd van € 329,00 en dat hij die binnen zes weken moet betalen. De NOvA heeft het hiertegen door [appellant] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift niet binnen de hiervoor gestelde termijn is ontvangen. In beroep heeft [appellant] aangevoerd dat de NOvA zijn bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de NOvA de brief waarbij de financiële bijdrage is opgelegd niet rechtsgeldig aan hem heeft bekendgemaakt. De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van 19 januari 2021 rechtsgeldig aan [appellant] is bekendgemaakt. [appellant] heeft (impliciet) kenbaar gemaakt dat hij langs elektronische weg bereikbaar is. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het bezwaarschrift van 5 juli 2021, dat is gericht tegen het besluit van 19 januari 2021, niet tijdig is ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [appellant] geen geldige reden gegeven die zou moeten leiden tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
De uitspraak op rechtspraak.nl