ABRvS 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2682
Bij besluit van 20 december 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zeist een verzoek van wijlen [verzoeker] om handhavend op te treden tegen door [partij] op de Lagegrond in Zeist geplaatste paaltjes en hekwerk afgewezen. [appellante] woont aan de [locatie 1] in Zeist. Deze weg eindigt bij haar woning. [partij] woont dichter bij het begin van dezelfde weg, aan de [locatie 2]. [partij] heeft ter hoogte van haar perceel paaltjes en een hekwerk geplaatst aan weerszijden van de Lagegrond, waardoor de weg op dat punt is versmald. [verzoeker], de echtgenoot van [appellante], heeft op 24 november 2017 het college verzocht handhavend op te treden tegen [partij] om de paaltjes en het hekwerk verwijderd te krijgen, om de bereikbaarheid van zijn woning voor hulpdiensten te waarborgen. Na zijn overlijden op [datum] 2018 heeft [appellante] de procedure voortgezet. Het college heeft vervolgens bij besluit van 26 januari 2021 opnieuw geweigerd handhavend op te treden. Het college heeft zich daarin op het standpunt gesteld dat artikel 6.37 van het Bouwbesluit niet van toepassing is door het overgangsrecht in artikel 9.2, achtste lid, van het Bouwbesluit en dat er daarom geen wettelijke bepaling is op grond waarvan hij handhavend kan optreden.
De uitspraak op rechtspraak.nl