ABRvS 27 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2625
Bij besluit van 26 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
202403739/1/V2 en 202403739/2/V2.
Datum uitspraak: 27 juni 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kind,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 11 juni 2024 in zaak nr. NL24.18519 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 26 april 2024 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 11 juni 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.E. Visscher, advocaat te Papendrecht, hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1 Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 4 tot en met 6 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1 Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2 Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, griffier.
w.g. Essenburg
voorzieningenrechter
w.g. Lodeweges
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2024
625
Aangehaalde artikelen
Aangehaald in
- Rb. Den Haag 10 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:26799
- Rb. Den Haag 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5540
- Rb. Den Haag 27 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11344
- Rb. Den Haag 30 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:14053
- Rb. Den Haag 16 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10982
- Rb. Den Haag 27 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9835
- Rb. Den Haag 4 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9793
- Rb. Den Haag 8 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:8121
- Rb. Den Haag 2 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7598
- Rb. Den Haag 20 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:599
- Rb. Den Haag 3 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5656
- Rb. Den Haag 25 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5067
- Rb. Den Haag 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3489
- Rb. Den Haag 4 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23002
- Rb. Den Haag 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:135
- Rb. Den Haag 4 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11864
- Rb. Den Haag 23 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10967
- Rb. Den Haag 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10279
- Rb. Den Haag 10 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10154
- Rb. Den Haag 6 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:23404