ABRvS 18 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2472
Bij besluit van 23 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
202403437/1/V2 en 202403437/2/V2.
Datum uitspraak: 18 juni 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 mei 2024 in zaak nr. NL24.17784 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 23 april 2024 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 28 mei 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D. van Elp, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1 Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat niet uit het AIDA Country Report: France (update 2022) kan worden opgemaakt dat er structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk zijn. De Afdeling wijst hierbij op haar uitspraak van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1863, onder 1.
1.1 Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2 Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier.
w.g. Essenburg
voorzieningenrechter
w.g. Toonen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2024
936
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
Aangehaald in
- Rb. Den Haag 27 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11827
- Rb. Den Haag 25 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17427
- Rb. Den Haag 18 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:15547
- Rb. Den Haag 17 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7320
- Rb. Den Haag 11 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6363
- Rb. Den Haag 30 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1861
- Rb. Den Haag 4 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1811
- Rb. Den Haag 15 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12891
- Rb. Den Haag 16 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10439
- Rb. Den Haag 6 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:23404
- Rb. Den Haag 2 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:23279
- Rb. Den Haag 15 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:23085
- Rb. Den Haag 27 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:22064
- Rb. Den Haag 10 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:15697
- Rb. Den Haag 19 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:14926
- Rb. Den Haag 9 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:14660