ABRvS 22 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4316

Bij besluit van 12 april 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellant] woonde ten tijde van de aanvraag in een zogenoemde flexwoning in Eindhoven met een tijdelijk huurcontract tot 14 juni 2021. Daarna is hij bij zijn moeder gaan inwonen en incidenteel bij zijn vader. [appellant] heeft een urgentieverklaring aangevraagd omdat hij een zelfstandige woonruimte nodig heeft om de omgang met zijn dochter te mogen uitbreiden naar co-ouderschap. Ook heeft hij aangeven dat hij mantelzorg aan zijn vader verleent en geen rijbewijs heeft en daarom op een woning in Eindhoven aangewezen is. [appellant] heeft in beroep een door hem en zijn ex-partner op 1 juli 2021 opgesteld ouderschapsplan overgelegd. Het college heeft bij het besluit van 15 juni 2021, onder verwijzing naar het advies van 8 juni 2021 van de commissie voor bezwaarschriften (hierna: het advies), de afwijzing van de aanvraag om een urgentieverklaring gehandhaafd op grond van onder meer de algemene weigeringsgrond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingsverordening gemeente Eindhoven 2020.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken