ABRvS 1 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:405

Bij besluit van 3 juli 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem geweigerd [appellante] een contingent-urgentieverklaring te verlenen. [appellante] verblijft sinds 28 november 2017 in Haarlem. Sinds 27 februari 2018 verblijft zij met haar dochter in een maatschappelijke opvang in dezelfde stad. In 2018 heeft zij een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Het college heeft de aanvraag opgevat als een aanvraag voor een contingent-urgentieverklaring als bedoeld in artikel 9, tweede en vierde lid, aanhef en onder d, van de Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond: Haarlem 2017, versie 1 mei 2019. Een contingent-urgentieverklaring kan worden aangevraagd door iemand die verblijft in een maatschappelijke opvang en uit die maatschappelijke opvang wil komen. Het college heeft de aanvraag toen afgewezen. De Afdeling heeft het hoger beroep van [appellante] over die aanvraag ongegrond verklaard (uitspraak van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:922).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken