ABRvS 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3949
Bij besluit van 8 mei 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een aanvraag van [appellante] om een voorrangsverklaring afgewezen. [appellante] woont met haar echtgenoot en, op het moment van de aanvraag, twee kinderen, in een woning aan de [locatie 1] in Den Haag. Inmiddels hebben zij een derde kind gekregen. Zij heeft de aanvraag ingediend omdat sprake is van onderhoudsklachten, wateroverlast, vocht, schimmel en ongedierte in de woning. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder g, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2015-2019, zoals die op het moment van de aanvraag luidde, kan een voorrangsverklaring worden verleend aan woningzoekenden die hun woonsituatie niet op een andere wijze kunnen oplossen. In geschil is of [appellante] haar problematische woonsituatie zelf had kunnen oplossen.
De uitspraak op rechtspraak.nl