ABRvS 18 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3859
Bij besluit van 6 februari 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Epe [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om op het perceel aan de [locatie A] in Epe de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht te beëindigen en beëindigd te houden. Op het perceel staat een bedrijfsgebouw waarvan een deel in 1994 intern is verbouwd en geschikt is gemaakt voor bewoning. Op 9 augustus 2018 heeft een toezichthouder van de gemeente Epe tijdens een controle geconstateerd dat [appellant] samen met zijn [partner] in dit deel van het bedrijfsgebouw woont. Bij besluit van 6 februari 2019 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [appellant] artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo heeft overtreden, omdat hij zonder omgevingsvergunning woont in het bedrijfsgebouw. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college bevoegd was om handhavend op te treden, omdat geen geslaagd beroep op het overgangsrecht kan worden gedaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl