ABRvS 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2972
Bij verzoek van 11 maart 2019 heeft [partij] aan het college gevraagd om handhavend op te treden tegen het in strijd met het bestemmingsplan recreatief verhuren van een aantal woningen aan de Badhuisweg te Cadzand. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn eigenaar van de woningen aan de [locatie 3] respectievelijk [locatie 1] en [locatie 2]. Op grond van het geldende bestemmingsplan "Kom Cadzand" van 25 januari 2018 is aan deze percelen de bestemming "Wonen" toegekend. Het college heeft bij bestreden besluit van 17 december 2020 aan zowel [appellant sub 1] als aan [appellant sub 2] een last onder dwangsom opgelegd, omdat volgens het college de woningen in strijd met het geldende bestemmingsplan recreatief worden verhuurd. De rechtbank heeft de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Hiertegen hebben zij hoger beroep ingesteld. Het college is bij het besluit van 18 oktober 2022 overgegaan tot invordering van een door [appellant sub 2] verbeurde dwangsom van € 6.000,-.
De uitspraak op rechtspraak.nl