ABRvS 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2691

Bij besluit van 22 april 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag bij [appellant] een dwangsom van € 7.000,00 ingevorderd. Bij besluit van 23 juni 2020 heeft het college aan [appellant] een bestuurlijke boete opgelegd van € 5.000,00. Het college heeft bij besluit van 8 januari 2020 aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens het zonder vergunning omzetten van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte, in het pand [locatie] in Den Haag (hierna: het pand). Het college heeft bij besluit van 22 april 2020 de dwangsom ingevorderd, omdat volgens hem de last niet was uitgevoerd en de dwangsom daarom was verbeurd. De last hield in dat de overtreding van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet 2014 in samenhang met de artikelen 5:1 en 5:2 van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (hierna: de Huisvestingsverordening), en artikel 7.18 van het Bouwbesluit 2012 wordt opgeheven. Daarnaast heeft het college bij besluit van 23 juni 2020 aan [appellant] een boete opgelegd wegens overtreding van de genoemde bepalingen van de Huisvestingswet 2014 en de Huisvestingsverordening.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken