ABRvS 5 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2567
Bij besluit van 16 juli 2018 heeft de raad voor rechtsbijstand het verzoek van [appellante] tot het treffen van een vergoedingenarrangement afgewezen. [appellante] is advocaat. Zij heeft bij brief van 8 december 2017 de raad gevraagd om haar op grond van artikel 39 van het Bvr een afwijkende vergoeding toe te kennen voor rechtsbijstand in cassatiezaken in het kader van de Wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en die met terugwerkende kracht toe te passen. Zij heeft hierbij toegelicht dat de raad deze zaken aanmerkt als ‘andere strafzaken’ in de zin van het toen geldende artikel 15, eerste lid, van het Bvr. Volgens [appellante] is de daarmee corresponderende vergoeding voor rechtsbijstand in Bopz-cassatiezaken niet kostendekkend. Zij stelt dat het daarom in de rede ligt om deze zaken niet als strafrechtelijke maar als civiele cassatiezaken aan te merken en hiervoor ook de daarbij behorende hogere vergoeding toe te kennen.
De uitspraak op rechtspraak.nl