ABRvS 14 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2312
Bij besluit van 23 maart 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam geen gevolg gegeven aan de aangifte van [appellant] om hem in te schrijven in de basisregistratie personen op het adres [locatie] in Rotterdam. [appellant] heeft de Marokkaanse nationaliteit, is in 2019 naar Nederland gekomen en is vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelt dat hij slachtoffer is van mensenhandel en dat hij een verblijfsvergunning heeft aangevraagd voor het verblijfsdoel ‘humanitair niet tijdelijk’. Volgens [appellant] is de hoofdbewoner van de woning op het adres [locatie] in Rotterdam bereid hem en zijn gezin te huisvesten als hij staat ingeschreven in de brp. Op 23 maart 2021 heeft [appellant] aangifte gedaan voor inschrijving in de brp. Het college heeft hieraan na contact met de Immigratie- en Naturalisatiedienst geen gevolg gegeven omdat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland had in de zin van artikel 2.4, eerste lid, van de Wet brp. In bezwaar heeft het college dit besluit gehandhaafd. Volgens de rechtbank heeft het college terecht geen gevolg gegeven aan de aangifte van [appellant] tot inschrijving in de brp.
De uitspraak op rechtspraak.nl