ABRvS 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1746
In negen afzonderlijke besluiten van 4 maart 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede aan [appellant A] en anderen lasten onder dwangsom opgelegd met betrekking tot het gebruiken van (bedrijfs)panden voor (on)zelfstandige bewoning op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] (hierna: [pand 1]), [locatie 3] (hierna: pand 2]) en [locatie 4] (hierna: [pand 3]) te Enschede. [appellant A] en [appellant C] hebben op 17 mei 2016 [pand 1], [pand 2] en [pand 3] in eigendom verkregen. [appellant A] en [appellant C] hebben de panden nadien verhuurd aan [appellant B], die de panden heeft verbouwd tot appartementen dan wel kamers en verhuurd aan derden. [appellant B] bewoont zelf een appartement dan wel een kamer in het [pand 1[ en [pand 2]. Op 25 september 2019 is door de afdeling Handhaven Bouwen en Milieu van de gemeente Enschede een controle uitgevoerd op de percelen [pand 1], [pand 2] en [pand 3]. De inspecteurs zijn te woord gestaan door [appellant C] en dat [appellant C] heeft verklaard dat de [pand 2] en [pand 3] worden bewoond. Tevens volgt uit het rapport dat de inspecteurs hebben geconstateerd dat ook de [pand 1] in gebruik is voor bewoning.
De uitspraak op rechtspraak.nl