ABRvS 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1633
Bij besluit van 2 oktober 2020 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het recht van [appellant] op huurtoeslag over 2019 definitief vastgesteld op nihil en € 2.847,00 aan te veel uitbetaalde voorschotten van hem teruggevorderd. De Belastingdienst/Toeslagen heeft het recht van [appellant] op huurtoeslag over 2019 op nihil gesteld, omdat het gezamenlijke inkomen van [appellant], zijn partner en zijn in 2019 thuiswonende zoon die is aangemerkt als medebewoner, te hoog is om huurtoeslag toe te kennen. Volgens [appellant] woonde zijn zoon thuis bij hem, omdat [appellant] een verzorgingsbehoefte heeft. Als de verzorgingsbehoefte blijkt uit een indicatiebesluit van het Centrum Indicatiestelling Zorg dan kan het inkomen van de zoon bij het bepalen van het recht van [appellant] op huurtoeslag buiten beschouwing blijven. [appellant] heeft geen indicatiebesluit van het CIZ overgelegd. Daarom heeft de Belastingdienst/Toeslagen het inkomen van de zoon niet buiten beschouwing gelaten. [appellant] is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld.
De uitspraak op rechtspraak.nl