ABRvS 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3785
Bij besluit van 27 september 2021 heeft de burgemeester van Dordrecht het aan [appellant] opgelegde huisverbod verlengd. Op 18 september 2021 heeft de burgemeester aan [appellant] een huisverbod opgelegd. De aanleiding voor het huisverbod was dat [echtgenote], de echtgenote van [appellant], een melding bij de politie had gedaan. De politie heeft haar met meervoudig letsel aangetroffen in de woning waar [appellant], [echtgenote] en hun jongste kind zich bevonden. Bij het besluit van 27 september 2021 heeft de burgemeester het huisverbod verlengd tot 16 oktober 2021. [appellant] heeft hiertegen beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft op 1 oktober 2021 een zitting gehouden. De burgemeester heeft bij besluit van 6 oktober 2021 het huisverbod ingetrokken. Op dezelfde dag heeft [appellant] zijn verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken, maar zijn beroep gehandhaafd. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zonder zitting uitspraak heeft gedaan op het beroep. Hij voert aan dat hij expliciet heeft benadrukt dat hij het beroep niet introk.
De uitspraak op rechtspraak.nl