ABRvS 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3491

Bij besluit van 3 april 2021 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het recht van [appellant sub 2] op huurtoeslag over 2019 definitief berekend, vastgesteld op € 0,- en € 3.319,- aan te veel uitbetaalde voorschotten van haar teruggevorderd. Bij het besluit van 3 april 2021, zoals gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 21 april 2021, heeft de Belastingdienst/Toeslagen het recht van [appellant sub 2] op huurtoeslag over het jaar 2019 definitief vastgesteld op nihil en € 3.319,- van haar teruggevorderd. Hieraan heeft de dienst ten grondslag gelegd dat uit de aanslag inkomstenbelasting over dat jaar is gebleken dat het vermogen van [appellant sub 2] hoger was dan het wettelijk vastgestelde heffingsvrije vermogen voor het jaar 2019. Dit betekent dat zij voordeel heeft uit sparen en beleggen en dat zij daarom geen recht heeft op huurtoeslag. De rechtbank heeft overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant sub 2] geen recht heeft op huurtoeslag over 2019.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken