ABRvS 23 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3397

Bij besluit van 27 november 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag de aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen. Op 28 augustus 2019 heeft [appellante] een urgentieverklaring aangevraagd. In haar aanvraag heeft zij vermeld dat zij de huur niet meer kan opbrengen. Ten tijde van het indienen van de aanvraag huurde [appellante] samen met haar toenmalige partner, inmiddels ex-partner, een aantal kamers van een woning in Den Haag. Nadat haar ex-partner gedetineerd raakte, is [appellante] bij haar vader ingetrokken. Zij geeft aan dat zij een woning wil die in verhouding staat tot haar inkomen. Verder geeft zij aan dat zij de volledige zorg heeft over haar kinderen. Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat [appellante] niet aan de voorwaarden van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 voldoet. [appellante] heeft niet eerst direct voorafgaand aan de aanvraag drie maanden zelf aantoonbaar gereageerd op het beschikbare woningaanbod en huurt een onzelfstandige woonruimte. Er is verder geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem en er bestaat geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen. Dit besluit heeft het college in bezwaar gehandhaafd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken