ABRvS 16 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3291
Bij besluit van 1 augustus 2019 (hierna: besluit I) heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellante] een boete opgelegd van € 150,00 wegens het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering en bepaald dat zij de lening voor het volgen van een inburgeringscursus moet terugbetalen. Bij brief van 3 juni 2016 heeft de minister [appellante] meegedeeld dat zij inburgeringsplichtig is en dat haar inburgeringstermijn op 13 maart 2016 is gestart. Bij besluit I met het opschrift "niet op tijd ingeburgerd" heeft de minister [appellante] meegedeeld dat zij tot en met 4 juni 2019 de tijd had om aan deze plicht te voldoen, zij daarin niet is geslaagd en zij daarom een boete krijgt van € 150,00. De minister heeft daarnaast bepaald dat hij de lening die [appellante] bij de Dienst Uitvoering Onderwijs heeft afgesloten niet zal kwijtschelden en zij het geleende geld dus zal moeten terugbetalen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Zeeland-West-Brabant 31 mei 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2979
- ABRvS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1079
- Rb. Limburg 6 april 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:2675
- Rb. Rotterdam 18 maart 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:2050
- Rb. Rotterdam 15 november 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:13217
- Rb. Zeeland-West-Brabant 28 april 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:2156
- ABRvS 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2401
- CRvB 16 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1278
- CRvB 11 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG8570
- CRvB 5 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY4059