ABRvS 9 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3226
Bij besluit van 22 maart 2019 heeft de raad voor rechtsbijstand het verzoek van [advocaat A] om toekenning van extra uren voor rechtsbijstand aan [cliënt] afgewezen. Bij formulier van 14 augustus 2018 heeft [advocaat A] aan de raad gevraagd om 40 extra uren voor de toegevoegde rechtsbijstand aan [cliënt] in de strafzaak tegen hem. [advocaat A] heeft dit verzoek bij brief van 29 augustus 2018 nader toegelicht. In deze brief heeft zij onder meer vermeld dat er op 27 augustus 2018 een zitting is geweest van een meervoudige kamer, die heeft beslist dat er vijf getuigen gehoord moeten worden en die heeft gevraagd om een aanvullend proces-verbaal. Bij besluit van 11 september 2018 heeft de raad dit verzoek van [advocaat A] afgewezen. De raad heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat uit de stukken niet blijkt dat sprake is van een bijzondere rechtsvraag of van zo’n juridisch relevant feitencomplex dat de zaak in redelijkheid niet binnen de tijdgrens kan worden afgehandeld.
De uitspraak op rechtspraak.nl