ABRvS 14 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2970
Bij besluit van 26 maart 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag de door [verzoekster] gevraagde urgentieverklaring geweigerd. [verzoekster] en [persoon] zijn samen ouders van inmiddels vier kinderen. Zij woonden samen in Den Haag. Na de geboorte van hun oudste zoon, [zoon], is [verzoekster] naar Amsterdam verhuisd om nabij het ziekenhuis te zijn waar [zoon] werd behandeld. Zij heeft in Amsterdam een woning gekregen op grond van medische urgentie. Die woning is geschikt voor haar en [zoon] en haar andere kinderen. [zoon] heeft ernstige hersenbeschadiging en beperkingen op motorisch en verstandelijk gebied. [verzoekster] heeft op grond van artikel 4:6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening een urgentieverklaring voor woonruimtebemiddeling gevraagd op de urgentiegrond mantelzorg. Zij wil met voorrang een woning in Den Haag, omdat de vader en tante van [zoon] daar ook wonen. Zij wil dichtbij de mantelzorgers wonen.
De uitspraak op rechtspraak.nl