ABRvS 28 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2822
Bij besluit van 11 mei 2020 heeft de Belastingdienst/Toeslagen bepaald dat [persoon] van 9 december 2019 tot en met 3 februari 2020 als de toeslagpartner van [appellant] wordt aangemerkt. Bij besluiten van 27 december 2018 en 27 december 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellant] voorschotten kindgebonden budget voor de jaren 2019 en 2020 verleend van onderscheidenlijk € 2.686,00 en € 2.600,00. Bij brief van 27 januari 2020 heeft de dienst aan [appellant] medegedeeld dat is gebleken dat [persoon] vanaf 9 december 2019 bij [appellant] in huis woont. De dienst heeft in die brief vermeld dat als [persoon] onderhuurder is, [appellant] dit aan hem moet doorgeven. [appellant] heeft in reactie op deze brief een overeenkomst, gedateerd op 7 december 2019, overgelegd. In het besluit van 11 mei 2020 heeft de dienst [persoon] in de periode van 9 december 2019 tot en met 3 februari 2020 als de toeslagpartner van [appellant] aangemerkt, omdat uit de overgelegde overeenkomst niet blijkt dat [persoon] onderhuur
De uitspraak op rechtspraak.nl