ABRvS 3 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2266
Bij besluit van 26 februari 2019 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellante] een boete opgelegd van € 1.250,00. Bij brief van 4 januari 2016 heeft de minister [appellante] meegedeeld dat zij inburgeringsplichtig is. Haar inburgeringstermijn is gestart op 21 december 2015 en zij had tot 20 december 2018 de tijd om in te burgeren. Omdat [appellante] niet voor die datum aan de inburgeringsplicht heeft voldaan, heeft de minister haar een boete opgelegd van € 1.250,00. Zij heeft op 28 januari 2020 alsnog aan de inburgeringsplicht voldaan. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij de inburgeringstermijn verwijtbaar heeft overschreden. Zij voert aan dat zij vanwege haar gezondheidstoestand en persoonlijke omstandigheden pas in 2018 kon beginnen met het volgen van inburgeringscursussen. Bovendien heeft de minister haar niet gewaarschuwd dat een boete zou worden opgelegd indien zij de inburgeringstermijn zou overschrijden.
De uitspraak op rechtspraak.nl