ABRvS 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1633

Bij besluit van 29 maart 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hoeksche Waard aan [vergunninghouder A] en [vergunninghouder B] (hierna samen en in enkelvoud: [vergunninghouder]) een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woning op het perceel [locatie 1] te Maasdam. Bij besluit van 29 oktober 2019 heeft het college het besluit van 29 maart 2019 vervangen en opnieuw aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woning op het perceel. Omdat dit besluit geldt als een wijzigingsbesluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, heeft de rechtbank het beroep van [appellante] mede gericht geacht tegen dit besluit. [appellante] woont aan de [locatie 2] in Maasdam, tegenover het perceel [locatie 1]. Zij kan zich niet verenigen met de omgevingsvergunning omdat zij vreest dat de bouw van de woning leidt tot een aantasting van haar woon- en leefgenot.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen