ABRvS 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1214
Bij besluit van 13 juni 2019 heeft de korpschef van de politie (hierna: de korpschef) de aan [appellant] en [schietvereniging] verleende verloven tot het voorhanden hebben van wapens en munitie ingetrokken. Eerder heeft de korpschef wapenverloven verleend aan [appellant] en aan [schietvereniging]. [appellant] is de beheerder van het aan de schietvereniging verleende wapenverlof. De korpschef heeft deze wapenverloven voor het laatst verlengd tot en met 31 mei 2020. De korpschef stelt zich op het standpunt dat wapens en munitie niet langer aan [appellant] kunnen worden toevertrouwd. Aan dit standpunt heeft de korpschef een mutatierapport van 13 juni 2019 ten grondslag gelegd. In dit rapport staat dat de partner van [appellant] op 12 juni 2019 heeft verklaard dat zij door hem is mishandeld. Bij besluit van 4 februari 2020 heeft de minister de intrekking van de wapenverloven gehandhaafd.
De uitspraak op rechtspraak.nl