ABRvS 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1134

Bij besluit van 13 januari 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring als woningzoekende afgewezen. [appellante] is een alleenstaande moeder met twee minderjarige kinderen van nu 16 en 9 jaar. Ten tijde van haar aanvraag om een urgentieverklaring en ten tijde van de afwijzing daarvan woonde zij met de kinderen in bij haar moeder. Inmiddels verblijven zij in een noodopvang voor gezinnen. Het college heeft de aanvraag op grond van artikel 2.6.5., eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 en paragraaf 3 van hoofdstuk 1 van de Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 afgewezen. Volgens het college is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem omdat [appellante] met haar kinderen bij haar moeder woonde en zij niet dakloos dreigden te worden. Zij heeft ook niet al het mogelijke gedaan om haar huisvestingsprobleem te voorkomen.

De uitspraak op rechtspraak.nl