ABRvS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1083

Bij besluit van 20 april 2020 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek van [appellant] om bij de berekening van zijn recht op huurtoeslag over het jaar 2018 een inkomensbestanddeel buiten beschouwing te laten, afgewezen. Bij besluit van 4 oktober 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen, voor zover van belang, de huurtoeslag van [appellant] voor het jaar 2018 vastgesteld op nihil, op basis van een toetsingsinkomen van € 33.076,00 en een rekenhuur van € 261,32. Bij brief van 23 oktober 2019 heeft [appellant] de Belastingdienst/Toeslagen verzocht om bij de berekening van zijn recht op huurtoeslag over dat jaar de nabetaling van zijn uitkering op grond van de Participatiewet over 2016, 2017 en 2018 buiten beschouwing te laten. De Belastingdienst/Toeslagen heeft dit verzoek bij het besluit van 20 april 2020, gehandhaafd bij het besluit van 19 mei 2020, afgewezen, omdat uit de door [appellant] overgelegde stukken niet kan worden afgeleid hoe hoog het bruto bedrag van de nabetalingen is geweest.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen