ABRvS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1034
Bij besluit van 16 september 2014 heeft de minister van Buitenlandse Zaken de aanvraag van [appellante] om een nationaal paspoort buiten behandeling gesteld. De minister heeft bij het besluit van 26 september 2014 de aanvraag van [appellante] om een nationaal paspoort buiten behandeling gesteld omdat zij van rechtswege de Nederlandse nationaliteit zou hebben verloren. De minister heeft [appellante] in de gelegenheid gesteld om nadere informatie te verstrekken over de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap die van belang zijn in het licht van het evenredigheidsbeginsel uit het oogpunt van het Unierecht. Bij brief van 3 maart 2020 heeft [appellante] haar standpunt nader gemotiveerd. De Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft op 21 april 2020 een advies uitgebracht. In het advies wordt overwogen dat niet is gebleken of en zo ja, in hoeverre, ten tijde van het verlies van het Nederlanderschap sprake was van uitoefening van ‘family life’ in Nederland.
De uitspraak op rechtspraak.nl