ABRvS 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2815
Bij besluit van 13 maart 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring als woningzoekende afgewezen. [appellante] heeft op 12 maart 2019 een urgentieverklaring op grond van de Amsterdamse Huisvestingsverordening 2016 (hierna: verordening) aangevraagd. Zij heeft daarbij als toelichting gegeven dat zij na de verhuizing van haar moeder, vier jaar daarvoor, dakloos is geworden. Ze sliep sindsdien bij vrienden en kennissen. Ze wordt gestalkt, bedreigd en mishandeld door haar ex-vriend. Ze heeft een huis aangeboden gekregen in Aalsmeer waar ze niet wilde wonen. Haar vrienden, school en werk waren destijds in Amsterdam. Ze kon zich de reiskosten van Aalsmeer naar Amsterdam niet veroorloven. Ze had de urgentieverklaring toen en ook nu nog hard nodig. Ze woont nu in illegale onderhuur in een kamer in Amsterdam, wordt daar bedreigd door haar ex-vriend en anderen en heeft dringend andere woonruimte nodig.